1850

Het Instructiebataljon

Garnizoensstad

Tijd van burgers en stoommachines

Het is nu bijna vergeten, maar gedurende de 19de en een groot gedeelte van de 20ste eeuw was Kampen een echte garnizoensstad. Wie zich op de straat begaf, kwam ze geheid tegen: militairen, in hun schaarse vrije uurtjes aan de wandel op zoek naar een scharreltje, of straf in het gelid aan het marcheren. De aanwezigheid van militairen drukte een duidelijk stempel op de stad en gaf aan Kampen een eigen kleur. Voor de Kamper middenstand betekenden de militairen extra inkomsten. Voor de stad als geheel bracht het garnizoen een verrijking van het sociale en culturele leven. De aanwezigheid van het garnizoen stimuleerde muziekuitvoeringen, theatervoorstellingen en sportbeoefening in de stad.

Belgische opstand

Al in 1815 kreeg Kampen een bataljon infanterie binnen haar muren. Dit 3de bataljon, 7de afdeling Infanterie werd in 1830 naar België gestuurd om daar de uitgebroken opstand te helpen onderdrukken. "Reeds eenige dagen zagen zij het bevel hiertoe reikhalzend tegemoet, en oefende zich met den besten ijver in de wapenhandel", zo schreef destijds de krant. Ook de Kamper burgerij liet zich niet onbetuigd en zamelde voor de uitgezonden militairen allerhande goederen in. De ontvangst van 70 paar handschoenen uit Kampen inspireerde een van de uitgezonden militairen tot de publicatie van een dankwoord in dichtvorm in de krant, waarvan het eerste couplet luidde: "Nu wij hier op de voorpost staan, versierd met uwe handschoenen staan, ons dit geluk bejegent, nu schenkt uw zorgen ons genot, en dankbaar juichen wij in het lot, waarmee wij zijn gezegend." Kortom, de band tussen garnizoen en stad was destijds uitstekend.

"Algemeene levendigheid"

Meteen na het vertrek van het bataljon naar België werd zijn plaats ingenomen door het Depot Bataljon 18de afdeling infanterie. In 1835 kwam daar nog het Werfdepot Corps Jagers van Cleerens bij, dat jongemannen opleidde voor een verblijf in de koloniën. Het nieuws in 1839 dat beide bataljons uit Kampen zouden vertrekken werd met teleurstelling ontvangen, getuige het volgende citaat uit de Kamper Courant: "verliezen wij aan deszelfs fraaye horenmuziek, niet minder aan het gezellige verkeer met heeren Officieren en ten slotte aan de algemeene levendigheid". Een tijdje zat Kampen nu zonder militairen. Maar dat veranderde in 1851 met de komst van het kort daarvoor opgerichte Instructiebataljon. Dit bataljon leidde jongens in de leeftijd van 16 tot 18 jaar op tot onderofficier. In 1852 werd de opleiding tot hoornblazer aan het bataljon toegevoegd, wat Kampen een muziekkorps opleverde. Het bataljon werd gehuisvest in het gebouw dat nu bekend staat als de Van Heutszkazerne. Voor lessen in het berijden van paarden werd gebruik gemaakt van de Manege (nu zaal Hanzestad), gelegen naast de Bovenhaven. Geoefend werd er voornamelijk op een terrein in IJsselmuiden, de Zandberg: "Dit is een wat hoger gelegen zanderige vlakte, ongeveer een ½ uur buiten Kampen. 's Zondags is dit de vaste wandeling van jong-Kampen. Een deel van deze vlakte wordt gebruikt als kerkhof, het andere deel is een vlak terrein, omgeven door een laan van bomen. […] Er is een schietbaan en een hindernisbaan, kortom, er is alles wat nodig is, om oorlogje te spelen", aldus een rekruut.

Troupiers

In 1877 werd het militaire karakter van de stad nog verder versterkt door de komst van de zogenoemde Hoofdcursus. De Hoofdcursus leidde jongemannen in 2 jaar op tot officier. De Cursus werd aanvankelijk ondergebracht in de kazerne van het Instructiebataljon, maar kreeg in 1884 een eigen onderkomen in een gebouw aan de Koornmarkt, tot dan in gebruik als schoolgebouw en tegenwoordig de thuisbasis van de Theologische Universiteit. Vanwege de ondoorzichtige ramen werd dit gebouw door de cursisten al snel tot het "Matglazen Paleis" gedoopt. Veel van de leerlingen van de Hoofdcursus kwamen van het Instructiebataljon. Zij werden wat laatdunkend "troupiers" genoemd. Toch volgden later beroemde Nederlanders als generaal Van Heutsz en minister-president Colijn hun officiersopleiding aan de Kamper Hoofdcursus.

Komen en gaan

Even leek het of Kampen zou zijn rol als garnizoensstad opnieuw verliezen. In 1924 werd van overheidswege zowel de Hoofdcursus als het Instructiebataljon te Kampen opgeheven. Maar in 1925 wist burgemeester Fernhout de School Reserve Officieren Infanterie (SROI) naar Kampen te halen en in 1930 ook de School Reserve Officieren der Militaire Academie (SROMA). Kampen was er wat aan gelegen het de militairen naar de zin te maken. Zo werd er een oefenterrein bij Wezep beschikbaar gesteld, alsook het vervoer daarheen. Deze instellingen zouden tot de Tweede Wereldoorlog in Kampen blijven. Daarna werd in het voormalige onderkomen van het Instructiebataljon, sinds 1938 Van Heutszkazerne genoemd, de Centrale Opleidingsschool voor Administratief Kader (COAK) ondergebracht. Hier werden beroepsofficieren opgeleid tot sergeant-majoor administrateur. Vanaf 1950 huisvestte het ook het 101ste Artillerie-Regiment. In 1973 werden de meeste militairen uit Kampen weggehaald. Een paar kleine restanten militair leven bleven nog over, bijvoorbeeld het mobilisatiecomplex aan de Haatlanderdijk. Maar ook dit terrein is inmiddels ontruimd. Met het vertrek van het leger kwam een einde aan meer dan 150 jaar militaire aanwezigheid in Kampen.