1310

De gasthuizen

Werken van barmhartigheid

Tijd van steden en staten

Eeuwenlang hadden de burgers van een stad als Kampen een zekere voorsprong op de bewoners van het platteland. In de stad was het leven veiliger. Het bestuur werd naar min of meer eerlijke rechtsbeginselen georganiseerd. Geld was er in omloop. Welvaart kon zich ontwikkelen. Een aantal burgers werd zelfs rijk en invloedrijk. In de stad werd aandacht besteed aan gezondheid en welzijn. Voor alleenstaande kinderen kwamen er weeshuizen, voor zieken ziekenhuizen, voor bejaarden bejaardenhuizen, voor gasten gasthuizen.
Deze zorginstellingen kwamen meestal voort uit particuliere initiatieven. Mensen werden geïnspireerd door het christelijk geloof. Met "werken van barmhartigheid" brachten zij het geloof in de praktijk. Kerkbestuurders en stadsbestuurders hadden het niet zo begrepen op die initiatieven. Maar al te graag trokken zij toezicht en beheer naar zich toe.

Heilige Geest- en Boven-Gasthuis

Kampen kende al in de middeleeuwen twee tamelijk grote gasthuis-complexen. Het omvangrijke Heilige Geest-Gasthuis, ook Buiten-Gasthuis genoemd, was gelegen tussen het Stadhuis en de Nieuwe Markt. Het gasthuis komt al in 1310 in de bronnen voor. Het werd aan het eind van de 19e eeuw afgebroken, omdat het niet meer aan de eisen van de tijd voldeed. Aan restaureren dacht spijtig genoeg niemand.
Het iets minder omvangrijke Sint Geertruids-Gasthuis, ook Boven-Gasthuis genoemd, was gelegen tussen Burgwal en Boven Nieuwstraat. Het eeuwenoude complex werd in 1895 voor de helft vervangen door nieuwbouw, waarvan de jeugdige koningin Wilhelmina de gedenksteen legde. De binnenplaats behield ruim een halve eeuw nog een schilderachtig aanzien door een aantal kleine proveniershuisjes tot zij rond 1970 ten offer vielen aan de moderne tijd: de bouw van een modern verpleeghuis Myosotis.
De oorspronkelijke opzet om in de gasthuizen reizigers en gasten op te vangen verdween in de middeleeuwen al spoedig uit het zicht. De Kamper gasthuizen gingen dienen als onderkomen voor bejaarde burgers. Op hun oude dag kochten eenvoudige burgers, die ondanks alles toch wat spaargeld achter de hand hadden, zich door een entreegeld kost en inwoning in het gasthuis. Zij hadden als kostkopers ‒ ook wel proveniers genoemd ‒ een enigszins bevoorrechte positie. Zij hadden een eigen kamer, soms zelfs een eigen huisje binnen het complex. Zij waren vrijgesteld van karweitjes, zoals aardappelen schillen en onderhoudsklusjes. Burgers, die bij hun entree geen financiële bijdrage konden leveren, werden als kostgevers in het gasthuis opgenomen, maar moesten dan de handen uit de mouwen steken tot ze te oud of te gebrekkig waren om nog klusjes te doen.

Vergaderingen

Minderbedeelde ouderen konden, behalve in de gasthuizen, ook terecht in particuliere opvanghuizen die door gegoede burgers waren gesticht. Deze minibejaardenhuizen droegen de naam vergaderingen. Onder toezicht van het stadsbestuur werd het beheer van de betreffende vergadering door of namens de nabestaanden in een officiële acte vastgelegd. Wanneer na verloop van tijd door gebrek aan geld of goede bestuurders het voortbestaan van de vergadering in de knel dreigde te raken, matigde het stadsbestuur zich aan vergaderingen samen te voegen, desnoods op te heffen. Van de Vergaderingen zijn tegenwoordig maar weinig sporen terug te vinden. Alleen in de Buiten Nieuwstraat is dankzij een intensieve en opvallende restauratie het gebouw van de Bethlehemsvergadering bewaard gebleven. De Brandsvergadering verleent nog altijd financiële steun aan bejaarden in Kampen.

Beheer

Het beheer van de gasthuizen was in handen van enkele zogeheten kerkmeesters, in later tijd regenten genoemd. Zij werden door het stadsbestuur benoemd, waaraan zij verantwoording van hun beheer moesten afleggen. Zij kregen geen vergoeding. De dagelijkse gang van zaken was in handen van een Vader en een Moeder, een echtpaar zonder kinderen. Veel speelruimte hadden de vader en moeder niet, zeker niet als het ging om het uitgeven van geld. Er was slechts een handjevol personeel.
Aan de exploitatie van de gasthuizen, omstreeks 1850 gefuseerd tot Verenigde Gast- en Proveniershuizen, kwamen geen overheidsfinanciën te pas. Dankzij schenkingen en verstandig beheer beschikten de gasthuizen eeuwenlang over de opbrengst van een omvangrijk landerijenbezit. Deze wijze van beheer liep pas vast in de 20ste eeuw, toen het geld zijn vaste waarde verloor als gevolg van inflatie en prijsstijgingen.
De regenten van de gasthuizen hadden lange tijd in hun regentenkamer een zeer waardevolle verzameling voornamelijk 16de-eeuwse schilderijen. Het is eigenlijk een wonder dat de schilderijen de eeuwen zo goed hebben doorstaan. Omdat de regenten er bij de nieuwbouw van 1970 geen raad meer mee wisten, werd het hele kunstbezit aan de stad Kampen overgedragen. Sindsdien vormen de schilderijen een belangrijk onderdeel van de exposities in het Stedelijk Museum.