1849

De brand in Grafhorst

Een dorp gaat in vlammen op

Tijd van burgers en stoommachines

"De voor Grafhorst zoo rampzaalige zaturdag was aangebroken; de arbeiders waren op het veld, meerendeels op het Kamper-eiland, verspreid. De landeigenaars en pachters waren naar Kampen gegaan, dewijl losse landerijen, aan de stad Kampen toebehorende […] dien morgen openlijk zouden verpacht worden. De vrouwen en dochters waren aan het gewone werk, aan het schuren en schrobben, aan het wasschen en plassen, ten einde op den dag des Heeren, reine woningen te hebben, en in schoone en heldere kleeding zich tempelwaarts te begeven", schreef U.G. Lauts in 1852 in De Tijd.
Op 5 mei 1849 veranderde een grote brand in paar uur tijd het leven van de 411 inwoners van Grafhorst. Het was tot 1848 de kleinste stad van Nederland, direct gevolgd door Wilsum. Door de herziening van de grondwet verloor Grafhorst dat jaar de status van stad en werd het weer een dorp, wat het qua karakter altijd geweest was. De bevolking van Grafhorst bestond uit boeren en vissers, die zich in de donkere tijd van het jaar ook wel met mattenmaken bezighielden. De vissers visten vooral op paling, die ze in Kampen op de markt brachten of aan opkopers verkochten.

Lichterlaaie

De brand brak uit om 09.30 uur in een hooiberg aan het oostelijke einde van het dorp. Felle oostenwinden hadden in de dagen ervoor de rieten daken uitgedroogd. Huizen en hooibergen stonden in een mum van tijd in lichterlaaie. De harde wind wakkerde het vuur extra aan. Grafhorst was reddeloos verloren. Er was geen brandweer in het dorp en brandspuiten of andere blusmiddelen waren er al evenmin. Tot overmaat van ramp waren die zaterdag veel mannen van huis voor de jaarlijkse verpachting van landbouwgrond in Kampen. De vlammen en de rook waren tot ver in de omtrek te zien. Ook in Kampen. De daar aanwezige Grafhorsters spanden hun paarden in en reden in vliegende vaart over de Kamperbrug naar huis om hulp te bieden. De brandweer van Kampen (vrijwilligers) ging met brandspuiten en emmers op weg naar Grafhorst. Maar dat was met paard-en-wagen een tocht van minstens 20 minuten. Bij aankomst zagen ze een vuurzee van vlammend riet en hooi, van brandende daken, deurkozijnen en huisraad. Tussen de ingestorte huizen zaten vrouwen met hun kinderen op de grond tussen stapels kleren, vissersgerei, potten en pannen en alles wat ze verder nog in veiligheid hadden kunnen brengen.

Puinhoop

Er viel weinig meer te redden. Wat restte waren "puinhoopen, half overeind staande muren met verkoolde deur- en vensterkozijnen, overblijfselen van daksparren, de ligte en zwevende asch van het dakriet, eenige boomen van alle bladerentooi beroofd, zwart geblakerd of tot in het hart verzengd; overal glimmende einders en grooter of kleiner rookwolken, die zich uit de ingestorte woningen eenen weg banen." Van de bij benadering 60 huizen waren er 57 in vlammen opgegaan. Eén slachtoffer was er te betreuren, een oude bedelaar die ondanks waarschuwingen zijn brandende huis weer was binnengegaan om zijn geld te redden. Anders dan in onze tijd werd de schuldvraag nooit gesteld. Alle aandacht ging uit naar de hulpverlening. De meeste daklozen werden ondergebracht in IJsselmuiden, in de school en in particuliere huizen. Ook Kampen schoot te hulp. Nog op de dag van de ramp liet de burgemeester van Kampen een wagen met brood laden en naar Grafhorst brengen.

Ramptoerisme

5 dagen later plaatste een speciaal voor de ramp ingestelde commissie een advertentie in de Kamper Courant, waarin een beroep wed gedaan op de hulpvaardigheid van de bevolking. Dat was alleen al nodig omdat bijna geen enkele gezin tegen brandschade was verzekerd. Die hulp kwam er: er werd geld ingezameld, er werden benefietconcerten gehouden, kunstenaars verkochten schilderijen ten gunste van de slachtoffers en volgens de Kamper Courant verkochten "keurige Dames handwerken, boek- en druk- en muziekwerken, voorwerpen van volksvlijt, meubelen, kunstwerken en sieraden." Grafhorst werd voortvarend weer opgebouwd, niet alleen de huizen, maar ook de school met raadkamer. Bovendien had het dorp zijn les geleerd: er werd een brandspuit aangeschaft en een brandverzekering afgesloten. De ramp kreeg ook nog een vervelend staartje als gevolg van wat we tegenwoordig ramptoerisme noemen. Op pinkstermaandag, 3 weken na de brand, sloeg ter hoogte van de Nes op het Ganzediep een schuitje om tijdens een hevige onweersbui met rukwinden. In het bootje zat een gezelschap van acht personen dat was gaan varen om vanaf het water de overblijfselen van de ramp te gaan zien. Vier van hen verdronken.