1818

Op eigen benen

Zelfstandige gemeente

Tijd van burgers en stoommachines

Sinds 1578 werd Overijssel bestuurd door Ridderschap en Steden. Eenvoudig gezegd waren de leden van de Ridderschap de bezitters van een havezate en de Steden werden gevormd door afgevaardigden van Deventer, Kampen en Zwolle. De bestuurslaag daaronder bestond uit een aantal drostambten. Den Ham viel onder het drostambt Salland met aan het hoofd de drost. Deze voerde wetten en bevelen van Ridderschap en Steden uit en handhaafde de openbare orde. Onder bevel en toezicht van de drost werd een derde bestuurslaag gevormd door de schoutambten met aan het hoofd een schout (of scholte, schulte).

Schoutambt Ommen en Den Ham

Den Ham maakte deel uit van het schoutambt Ommen en den Ham. Ter voorkoming van misverstanden: van Ommen hoorde alleen het landelijk gebied met de daarin liggende buurschappen tot dit schoutambt. De stad Ommen viel er niet onder. De schout hield zich voornamelijk bezig met ordehandhaving en rechtspraak. Deze taken werden ten tijde van het Koninkrijk door aparte functionarissen overgenomen. De schout was als het ware burgemeester, hoofd van politie, rechter, notaris en vaak ook nog ontvanger van belastingen tegelijk. Als de schout zitting hield, werd hij altijd vergezeld door twee bijzitters, doorgaans keurnoten genoemd. De civiele zaken hadden onder meer betrekking op eigendom en nalatenschap (bijvoorbeeld testamenten). De criminele rechtspraak beperkte zich tot de lichtere misdrijven en overtredingen. De zittingen konden ook worden gehouden door de plaatsvervangend schout, toen genoemd de verwalter-schout. Veel zaken op lokaal niveau werden evenwel afgehandeld door de besturen van kerspel (kerkelijke zaken en school), marke en buurschap. Dat waren in belangrijke mate zelfstandige organen, die los stonden van het schoutambt. De taken waren echter vaak niet scherp afgebakend.

Gemeenteraad

Gerekend naar 18de-eeuwse begrippen stonden de revolutionaire gebeurtenissen in Frankrijk eigenlijk ver van het dagelijks leven in onze streek. Toch hadden deze ontwikkelingen naast de opkomst van Napoleon Bonaparte in 1795 op den duur zeker invloed. De schoutambten hadden in februari van dat jaar publicaties ontvangen van de Provinciale Representanten van Overijssel betreffende het verkiezen van een Municipaliteit (gemeenteraad). Omdat daarin niet werd gesproken over één gemeenteraad per schoutambt, kozen elk van de in het schoutambt Ommen gelegen kerkdorpen een eigen gemeenteraad en schout. Voor den Ham werd tot schout benoemd W.A. van Laer. Deze bestuursvorm bleef bestaan tot medio 1803. In dat jaar werd door het Departementaal Bestuur van Overijssel een commissie ingesteld, die de reorganisatie van de schoutambten moest doorvoeren. Hierdoor werd de situatie van vóór 1795 weer hersteld en werden Ommen en den Ham wederom één schoutambt.

Onder Frans bestuur

Na het in werking treden van de Franse rechterlijke organisatie op 1 maart 1811 werd het schoutambt in april 1811 opnieuw gesplitst en ontstonden de gemeenten Ommen en Den Ham. Deze indeling en de taak van de gemeenteraden werd bij keizerlijk decreet van 21 oktober 1811 vastgelegd. De Préfect des Bouches de l'Issel had op 28 maart 1811 een maire (burgemeester), een adjunct-maire en een conseil municipal (gemeenteraad) benoemd. Albertus Nagel werd de eerste burgemeester van Den Ham, terwijl Hendrik Jan Kelder als adjunct-maire aangesteld werd. Daarmee verkreeg Den Ham voor het eerst politieke zelfstandigheid. Ook andere wijzigingen in de Franse Tijd zijn van blijvende betekenis geweest, zoals de invoering van de Burgerlijke Stand en de verplichting een vaste achternaam aan te nemen.

Koninkrijk der Nederlanden

Na het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 kwam er een gecombineerd schoutambt Ommen-Den Ham. De twee aan elkaar grenzende gemeenten kregen in 1818 dezelfde schout en secretaris, maar bleven verder geheel zelfstandig. Schout (ná 1825 burgemeester genoemd) en tevens secretaris werd mr. J.A. Chevallereau. Het grondgebied omvatte dat van de marke Den Ham en Linde en dat van de buurschap Meer. Het kiesrecht was toen nog lang niet algemeen: vrouwen mochten pas in 1919 stemmen en vóór 1887 gold zogenaamd censuskiesrecht (alleen mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden, waren stemgerechtigd). De bestuurlijke organisatie bleef nog vele jaren bescheiden en dat gold ook voor de behuizing ervan. Den Ham zou als zelfstandige gemeente blijven bestaan tot de gemeentelijke herindeling van 2001.