Canonmuseum

Rijksmuseum Boerhaave

Het Rijksmuseum Boerhaave presenteert verschillende topstukken die de vensters De VOC, De Beemster, De Atlas Maior van Blaeu, Christiaan Huygens, Napoleon Bonaparte, De televisie en Suriname en de Nederlandse Antillen uit de Canon van Nederland illustreren. Meer over topstukken en activiteiten vind je hieronder.

Met een collectie die vijf eeuwen onderzoek en innovatie toont, biedt Rijksmuseum Boerhaave bezoekers van alle leeftijden een intrigerende kijk in de wereld van wetenschap.

Rijksmuseum Boerhaave
Lange St. Agnietenstraat 10
2312 WC Leiden

rijksmuseumboerhaave.nl/

Topstukken

Blaeu is meer dan cartograaf

Willem Janszoon Blaeu, vooral bekend als cartograaf, vervaardigt naast kaarten en aard- en hemelglobes ook wiskundige instrumenten, zoals dit kwadrant uit 1620. Een kwadrant is een hoekmeetinstrument waarmee je de posities van planeten en sterren kunt vaststellen door hun onderlinge hoeken te bepalen. De Nederlandse wis- en natuurkundige Willebrord Snellius gebruikt het kwadrant voor landmeetkundige waarnemingen om de omtrek van de aarde te berekenen.

Snellius berekent deze omtrek door de afstand tussen twee punten op dezelfde lengtegraad te bepalen: Alkmaar en Bergen op Zoom. Hij komt uit op een omtrek van 38.660 kilometer en met deze berekening zit hij er, door een rekenfout, maar vier procent naast. Acht jaar na Snellius’ dood wordt het kwadrant het eerste instrument van de Leidse sterrenwacht.

Fascinatie voor vreemde landen en volkeren

De kaarten van Willem Jansz. Blaeu zijn niet alleen bedoeld voor praktisch gebruik voor zeelui. Hij maakt ook sierkaarten voor thuis aan de muur. Deze producten zijn in trek bij klanten met interesse voor vreemde landen en verre volkeren. Bij deze luxe kaarten besteedt Blaeu veel aandacht aan het decoratieve randwerk, zoals de bewoners van de verschillende continenten en panorama’s van verschillende steden.

Waar de zeevaartkundige kaarten gedrukt zijn op sterk perkament voor gebruik aan boord, zijn de luxe kaarten gedrukt op papier. Een publiek voor deze kaarten vindt Blaeu onder kooplieden, reders en andere welgestelde burgers die hun huizen en kantoren ermee opsieren. Een van hen is Constantijn Huygens. De dichter-diplomaat heeft ze in zijn voorhuis opgehangen zodat zijn kinderen ‘een vaste gestaltenissen van ’s werelds maeksel in den sinn kregen.’

Navigatie: waar ben ik op zee?

VOC-scheepslieden gebruiken sterrenkundige meetinstrumenten om onder meer hun plaats op zee te bepalen. Dit gebeurt door de geografische breedte van de locatie van het schip af te leiden van de hoogte van de zon of Poolster boven de horizon. Ten tijde van de VOC volgen drie instrumenten voor van plaatsbepaling elkaar op. De Jacobsstaf is het oudste navigatie-instrument, daarna komt het Daviskwadrant, opgevolgd door de octant.

Bij de Jacobsstaf moet je de kruislatten zo schuiven dat aan de bovenkant van het instrument de zon en aan de onderkant de horizon zichtbaar is. Bij waarnemingen kijk je dus tegen de zon in. Latere navigatie-instrumenten, het Daviskwadrant en de octant, hebben een spiegeltje tegen de verblinding en gebruik je met de rug naar de zon gekeerd. Dankzij dit soort navigatie-instrumenten kunnen VOC-zeelieden bestaande kaarten corrigeren en aanvullen.

VOC als aanjager van wetenschap

De Duitse botanicus Georg Everhard Rumphius werkt als VOC-beambte op Ambon, waar hij de lokale natuur onderzoekt en beschrijft. Als hij in 1670 blind wordt, zet hij zijn onderzoek voort met behulp van anderen. Zijn belangrijke werk, D’amboinsche rariteitkamer, gaat met een scheepsramp ten onder. Gelukkig is er een achtergehouden kopie, waardoor het manuscript in 1697 alsnog in Amsterdam terechtkomt.

Door onderzoek zoals dat van Rumphius breidt de VOC haar wetenschappelijke kennis van exotische flora en fauna uit. Voor de compagnie is dit van commercieel belang, aangezien zij zo leert welke inheemse dieren en planten kunnen dienen als handelswaar of medicijnen. Uit angst om de concurrenten in de kaart te spelen, wil de VOC het werk van Rumphius in 1697 echter niet publiceren. Uiteindelijk verschijnt het boek in 1705 alsnog, met behulp van Rumphius’ vriend, de rijke schelpenverzamelaar Hendrik d’Acquet.

VOC en WIC als leverancier van medicinale stoffen

Via de handel in Oost en West worden exotische planten en dieren aangevoerd die bestanddelen leveren voor medicijnen. De apotheker wordt vraagbaak voor iedereen die meer wil weten over de exotische natuur. In deze simpliciakast worden geneeskrachtige ingrediënten bewaard. De buitenkant van de kast ziet eruit als een boek, met op de ‘rug’ het opschrift Thesaurus Sanitatis. Vrij vertaald betekent dit ‘schatkamer der gezondheid’.

Deze simpliciakast uit 1660 behoort toe aan het Haagse apothekersgilde. In de laatjes van de kast bewaart het gilde de simplicia, oftewel geneeskundige ingrediënten, die bij examens worden gebruikt. De aspirant-apotheker moet uit deze simplicia een door de examinatoren opgegeven medicijn samenstellen. Deze simpliciakast is het oudst bewaard gebleven exemplaar van de enkele overgeleverde simpliciakasten in Nederland.

Een uitzonderlijke reis

In de Republiek komt de Duitse tekenares Maria Sibylla Merian (1647 – 1717) in aanraking met welgestelde verzamelaars van exotica en rariteiten. Geïnspireerd door de schoonheid van tropische vlinders besluit ze met haar dochter in 1700 de flora en fauna in Suriname te bestuderen. Een ongebruikelijke tocht voor twee vrouwen. De tekeningen die Merian in Suriname maakt, resulteren in 1705 in het boek Verandering der Surinaamse Insecten, waarin zij de inheemse insecten in hun natuurlijk habitat afbeeldt.

Onderzoekers zoals Maria Sybilla Merian doen grote moeite om de flora en fauna van exotische streken in kaart te brengen. Hiermee dragen zij bij aan de kennis over deze gebieden in Nederland. Bovendien kunnen deze onderzoeken commercieel voordeel opleveren, omdat ze leren welke inheemse planten en dieren kunnen dienen als handelswaar of medicijn.

Ontdekking van een nieuwe wereld

Wat de lakenhandelaar Antoni van Leeuwenhoek ziet onder de zelfgeslepen lenzen van zijn microscoop is opzienbarend. Snel zoekt hij contact met de wetenschappelijke wereld om zijn bevindingen te publiceren. Hij wordt wereldberoemd. Voor het eerst ziet hij zaadcellen, bloedlichaampjes en ‘kleine diertjes’, oftewel bacteriën. Met zijn systematische en uitgebreide onderzoek is hij de grondlegger van de microbiologie.

Het ontwerp van Van Leeuwenhoeks microscopen is relatief eenvoudig. Het preparaat, een miniem glazen lensje dat tussen twee metalen plaatjes is geklonken, zit op een pinnetje dat met schroefjes versteld kan worden, zodat het lensje scherpstelt. De microscopen van Van Leeuwhoek kunnen tachtig tot tweehonderdvijftig maal vergroten. Dat is voor die tijd fenomenaal.

Lenzen die het heelal dichterbij halen

Sterrenkunde is een levenslange fascinatie van Christiaan Huygens. Samen met zijn broer Constantijn slijpt hij zelf telescooplenzen. Veel van die Huygenslenzen zijn gesigneerd: met een diamant krassen Christiaan en Constantijn hun naam in het glas. Met hun vroegste lenzen ontdekt Christiaan de Saturnusmaan Titan. Ook ziet hij uitstulpingen van dezelfde planeet, die hij als eerste correct interpreteert als ringen.

Christiaan en Constantijn zijn ontevreden over de lenzen die gespecialiseerde ambachtslieden leveren. Ze vinden dat ze het zelf beter kunnen en dat is terecht. Met hun zelfgeslepen lenzen doen ze grote ontdekkingen. Dat zulke voorname heren als de gebroeders Huygens zich bezighouden met nederige handenarbeid zoals het slijpen van lenzen, is in die tijd zeker niet vanzelfsprekend.

De wereld van het kleine

De microscoop wordt kort na 1670 uitgevonden door Antoni van Leeuwenhoek. Rond 1677 hoort Christiaan Huygens van het werk van Van Leeuwenhoek, die met zijn zelfgebouwde microscoop allerlei micro-organismen waarneemt. Natuurlijk kan Huygens het niet laten om Van Leeuwenhoeks eenvoudige ontwerp te verbeteren. Hij maakt een eigen versie met een draaischijf met verschillende lensopeningen, oftewel diafragma’s, en een schijf met zes preparaathoudertjes, waardoor het instrument veelzijdiger wordt.

De zeventiende eeuw is de eeuw van de (wetenschappelijke) ontdekkingen. Zelfs een waterdruppel blijkt een tot dan toe onontdekte wereld te bevatten, die zichtbaar wordt door een nieuw instrument: de microscoop. Nederlandse onderzoekers zoals Van Leeuwenhoek, Huygens en Swammerdam lopen voorop in het onthullen van deze microwereld.

 

Eindelijk een klok die de tijd bijhoudt

Hoewel uurwerken al lang bestaan, zijn ze tot 1656 niet erg betrouwbaar. In dat jaar komt Christiaan Huygens op het idee om de regelmaat van de beweging van een slinger te koppelen aan het mechanisme van een uurwerk. Dit levert een klok op die veel nauwkeuriger loopt dan alle tot dan toe gebouwde uurwerken. Het maakt tijdmeting dus een stuk preciezer.

Het slingeruurwerk van Huygens is het oudste bewaard gebleven voorbeeld van zijn uitvinding. De heen en weer gaande beweging van een kogeltje aan een touwtje is zeer regelmatig. Hierdoor kan het uurwerk ook als betrouwbaar instrument worden gebruikt bij wetenschappelijke waarnemingen. Vooral in de sterrenkunde is nauwkeurige tijdmeting erg belangrijk, omdat de astronoom niet alleen de positie van een hemellichaam, maar ook de precieze tijd van zijn waarneming moet aangeven.

Het veranderende wereldbeeld in de wetenschappelijke revolutie

Huygens is de belangrijkste geleerde die de Republiek in de zeventiende eeuw voortbrengt. Dit door Huygens uitgedachte planetarium is een mechanisch hoogstandje. Huygens heeft al zijn wiskundige begaafdheid nodig om de bewegingen van de planeten te vertalen naar het klokmechanisme dat dit model van het zonnestelsel aandrijft. Hij maakt dit model voor de Franse Académie Royale des Sciences, waarvan hij lid is. Helaas is het genootschap uiteindelijk niet meer geïnteresseerd in het planetarium, waarna Huygens het zelf houdt.

In de zeventiende eeuw zijn er verhitte discussies over de vraag of de planeten en de sterren naar goddelijke willekeur bewegen of volgens de regelmaat van vaste natuurwetten. In navolging van de filosoof René Descartes, die de natuur als een groot mechanisme beschouwt, is Huygens overtuigd van die tweede mogelijkheid. Huygens’ planetarium is daarvan een illustratie.

Napoleon introduceert standaardmaten

Verwarring alom: tot het einde van de achttiende eeuw houdt iedere regio er eigen maten en gewichten op na, vaak gebaseerd op menselijke proporties, zoals duim, el en voet. Handelsverkeer tussen landen, streken of steden zorgt op deze manier voor veel omrekenwerk. Om hier een einde aan te maken ontwikkelt een comité van wis- en natuurkundigen, in opdracht van de Franse revolutionaire regering, een universeel stelsel van maten en gewichten: het metrieke stelsel. Uiteindelijk is de keizerlijke macht van Napoleon nodig om het stelsel daadwerkelijk in te voeren.

In 1795 voert Frankrijk het metrieke stelsel in. Een internationaal congres beijvert zich om ook de rest van Europa mee te krijgen, waarbij de Nederlandse wis- en natuurkundige Jean Henri van Swinden een grote rol speelt. Als het bewind van Napoleon in 1813 ten onder gaat, lijkt dit ook het einde voor het metrieke stelsel, maar het praktisch gemak dat het oplevert is groot. Koning Willem I herintroduceert het metrieke stelsel in Nederland in 1820.

Zonder watermanagement geen droge voeten

Een oud gezegde luidt: ‘God schiep de aarde, behalve Nederland, want dat deden de Nederlanders zelf’. (West-)Nederland bestaat bij de gratie van technische instrumenten, zoals de poldermolen, lepelbaggermachine en overtoom. De poldermolen stelt ons in staat ons land droog te maken, de lepelbaggermachine houdt de havens en vaargeulen op diepte en de overtoom hijst een bootje over land van de ene vaarweg in de andere. Schaalmodellen zoals deze dienen om de werking van de toestellen uit te leggen of als hulpmiddel bij het uitvoeren van reparaties.

Waterbeheer vereist coördinatie en overleg. Al vroeg ontstaan spontaan samenwerkingsverbanden, zoals de waterschappen, die nog altijd de waterstaat beheren. Poldermolens gelden als icoon van deze onderlinge samenwerking. Gemeenschappelijk gefinancierd en bediend, veranderen ze Nederland in een aaneengesloten waterbouwkundig werk. Ook professoren rekenen mee aan modelontwerpen. Met toegepaste wiskunde dragen ze bij aan de strijd tegen het water.

Landmeetkunde: essentieel voor de polder

De Leidse landmeter Jan Pietersz. Dou is ontevreden met de landmeetkundige instrumenten van zijn tijd. Hij ontwerpt zelf een instrument, de Hollandse cirkel, waarmee je onder andere hoeken groter dan negentig graden kan meten. Dou gebruikt zijn uitvinding in 1608 bij metingen voor de bedijking van de Beemster. Daarmee trekt hij veel belangstelling bij zijn collega’s.

Dou noemt zijn uitvinding zelf niet de ‘Hollandse cirkel’. Die benaming stamt waarschijnlijk uit de negentiende eeuw, wanneer het instrument in een Franse publicatie als cercle Holandais staat beschreven. De Hollandse cirkel wordt ook in de negentiende-eeuwse handboeken nog behandeld. Dat laat zien hoe lang dit instrument in gebruik blijft bij de landmeters.

De allereerste televisiebeelden

De microscoop wordt kort na 1670 uitgevonden door Antoni van Leeuwenhoek. Rond 1677 hoort Christiaan Huygens van het werk van Van Leeuwenhoek, die met zijn zelfgebouwde microscoop allerlei micro-organismen waarneemt. Natuurlijk kan Huygens het niet laten om Van Leeuwenhoeks eenvoudige ontwerp te verbeteren. Hij maakt een eigen versie met een draaischijf met verschillende lensopeningen, oftewel diafragma’s, en een schijf met zes preparaathoudertjes, waardoor het instrument veelzijdiger wordt.

De zeventiende eeuw is de eeuw van de (wetenschappelijke) ontdekkingen. Zelfs een waterdruppel blijkt een tot dan toe onontdekte wereld te bevatten, die zichtbaar wordt door een nieuw instrument: de microscoop. Nederlandse onderzoekers zoals Van Leeuwenhoek, Huygens en Swammerdam lopen voorop in het onthullen van deze microwereld.