Canonmuseum

Limburgs Museum

Het Limburgs Museum presenteert verschillende topstukken die de vensters De Gasbel, Hunebedden, De Tweede Wereldoorlog, Willibrord, De Romeinse Limes, Veelkleurig Nederland en Napoleon Bonaparte uit de Canon van Nederland illustreren. Meer over topstukken en activiteiten vind je hieronder.

Het Limburgs Museum, gelegen in Venlo, vertelt en verbeeldt verhalen van Limburgers.

Limburgs Museum
Keulsepoort 5
Venlo

www.limburgsmuseum.nl/nl/

Topstukken

De huiskamer van een mijnwerker

In deze kamer woont het gezin van een koempel, oftewel een mijnwerker. Van oudsher is Zuid-Limburg een dunbevolkt gebied, maar dit verandert door de komst van de grote mijnen. Van een boerengebied wordt het vanaf 1900 een bruisende, industriële regio. Er komen bijna 60.000 mensen in de mijnen werken, onder wie ook veel gastarbeiders. Maar dan wordt in 1959 in Slochteren een gasbel ontdekt. Steenkolen zijn ineens te duur. Mijnen worden gesloten en afgebroken en mijnwerkers raken hun baan kwijt.

De mijnsluiting vanaf 1965 heeft grote gevolgen voor Zuid-Limburg. Economisch gezien is de regio er nog altijd niet helemaal bovenop. Het vertrouwen in de overheid is laag, want die sluit mijnen en slaagt er niet in om genoeg vervangend werk te realiseren. Ondanks de zware werkomstandigheden missen veel oud-koempels hun mijn en de verbondenheid met andere mijnwerkers.

Bandkeramische pot van de allereerste boeren

Deze pot is gemaakt door de allereerste boeren van Nederland. Het is een Sittardse pot met banden erin gekrast. Deze versieringen geven niet alleen dit aardewerk een naam, maar ook de makers ervan: de bandkeramiekers. Zij bouwen 7.500 jaar geleden de eerste huizen in ons land, op vruchtbare lössgrond. Deze grote boerderijen vormen kleine dorpjes voor ongeveer vijftig mensen, die leven van granen, peulen en vee.

De landbouw wordt 12.000 jaar geleden uitgevonden in het Midden-Oosten. Langzaam verspreidt die kennis zich, en bereikt 4.500 jaar later Zuid-Limburg. De bandkeramiekers introduceren het aardewerk. Voor die tijd trekken mensen rond om te jagen en eten te vinden en dan kun je geen aardewerk gebruiken. Aardewerken potten zijn immers zwaar en breekbaar. Naast aardewerk vinden we van de bandkeramiekers ook stenen dissels terug, een soort bijlen om bomen te kappen en huizen te bouwen.

Een proppenschieter uit Willibrords klooster

Deze hol gemaakte vliertak is een proppenschieter. Hij is waarschijnlijk eigendom van een meisje uit het klooster van Susteren. De Engelse monnik Willibrord sticht dit klooster in 714 op een landgoed bij de rivier Suestra. In 1312 is dit een klooster waar adellijke meisjes worden opgeleid tot non. De proppenschieter bewijst dat deze meisjes niet alleen leren en bidden. In Nederland zijn maar een paar van dit soort proppenschieters gevonden.

Het eerste klooster in Susteren bestaat uit een houten kerkje langs een begraafplaats, een stenen doopkapel, een waterput en een boerderij. Willibrord huisvest er monniken om van hieruit het christelijke geloof te verspreiden. In de loop der eeuwen wordt het complex groter en krijgt het uitsluitend adellijke bewoonsters. De stiftsdames hebben meer vrijheden en luxe dan de nonnen. De leidster, de zogenaamde abdis, komt altijd uit een voornaam geslacht.

Een bruidsjurk van parachutestof

Wie wil trouwen, pakt uit. Maar in tijden van oorlog en wederopbouw is er niet veel om mee uit te pakken. Aan alles is immers gebrek. Toch kom je met een beetje improvisatie een heel eind, zoals bij deze bruidsjurk uit 1945. De jurk is gemaakt van stof van een parachute van de geallieerden. Het is voor de draagster letterlijk een geschenk uit de hemel.

Door de schaarste aan middelen moet men direct na de Tweede Wereldoorlog improviseren om het dagelijks leven weer enigszins normaal te laten verlopen. We weten niet wie deze roomkleurige bruidsjurk met onderrok en onderbroek heeft gedragen, maar we weten wel dat er tijdens de oorlog minder werd getrouwd. Veel mannen waren ondergedoken of door Duitsers te werk gesteld. Je trouwde als er meer zekerheid was.

Frescofragment van een jongeman uit de Romeinse villa van Maasbracht

Deze jongeman siert rond het jaar 150 een muur van een enorm Romeins boerenbedrijf, de villa van Maasbracht. Hier wordt graan verbouwd voor de troepen aan de Rijn. Die rivier is de noordelijke grens, oftewel limes, van het Romeinse Rijk. We kennen maar weinig Romeinse afbeeldingen van mensen uit Nederland en daarom is dit fresco zo bijzonder. Het fragment hoort waarschijnlijk bij een ander stuk muurschildering, namelijk een levensgrote afbeelding van een gladiator.

Villae, zoals de villa van Maasbracht, ontstaan op vruchtbare löss en rivierkleigrond. Vruchtbare grond en (water)wegen voor transport zijn cruciaal voor het ontstaan van deze complexen, die veel meer zijn dan alleen een boerderij. Het zijn ook luxe woningen, met centrale verwarming, stromend water en kleurrijke kamers. De eigenaren zijn vaak lokale mensen die goed integreren in de Romeinse samenleving.

Instructies voor Italiaanse mijnwerkers in Limburg

‘Draag een helm’, staat er op deze instructietekening voor mijnwerkers uit 1955. Omdat er nogal wat Italianen in de Limburgse mijnen werken, is de instructie in het Italiaans. Er zullen ook versies in het Spaans, Grieks en Marokkaans-Arabisch bestaan, want uit al die landen komen tussen 1948 en 1974 gastarbeiders naar Limburg om in de mijnen te werken. De twee tekeningen tonen hoe je een mijningang moet stutten (Bene) en hoe niet (Spaglio).

Voor de Tweede Wereldoorlog komen de eerste gastarbeiders vooral uit Duitsland, Slovenië en Polen. Dit zijn landen waar mensen al ervaring hebben met ondergrondse mijnarbeid. Dat is belangrijk, omdat in Limburg zelf een groot tekort is aan ervaren mijnwerkers. In 1930 is één op de drie Limburgse mijnwerkers een gastarbeider. Zo krijgt de multiculturele samenleving in Zuid-Limburg al vroeg vorm.

Trommen voor vrijheid en gelijkheid

Deze legertrommen zijn beschilderd met de kleuren van de Franse vlag. Ze verwijzen naar de Franse revolutie van 1789. Dat verklaart de tekst liberté égalité, oftewel vrijheid gelijkheid. Het derde woord uit die wereldberoemde spreuk, fraternité oftewel broederschap, wordt in die tijd nog niet gebruikt. De trommen begeleiden de revolutionaire beweging voor vrijheid en gelijkheid, die ook Nederland bereikt.

De Franse Revolutie rekent af met oude elites. Iedereen krijgt gelijke rechten en vrijheden en het bestuur wordt gevormd door kiesstelsels. De trommen horen bij de Franse Nationale Garde die in 1794 Zuid-Nederland verovert. Delen van Limburg en Zeeland worden afgestaan en als departementen opgenomen in Frankrijk. In 1795 volgt de rest van het land en wordt Nederland de Bataafse zusterrepubliek van Frankrijk.