Pokken en cholera

De behandeling van besmettelijke ziekten door dokter Büchner

In de eerste helft van de negentiende eeuw zijn er in Gouda verschillende epidemieën. Pokken en cholera eisen veel slachtoffers. Tegelijkertijd zetten artsen en onderzoekers in deze periode de eerste stappen ter verbetering van de medische wetenschap. De Goudse stadsarts Willem Frederik Büchner heeft daarin een belangrijke rol. Als net afgestudeerde twintiger komt hij in Gouda werken. Hij schrijft nieuwe medische behandelingen voor en verzamelt gegevens over zijn patiënten, die hij in statistische tabellen verwerkt. Al snel is hem duidelijk dat om ziektes te voorkomen, de leefomstandigheden van de Gouwenaren moeten verbeteren.

Leven in Gouda
Veel Gouwenaars leiden in de eerste helft van de negentiende eeuw een armoedig bestaan. Zij wonen in bedompte huizen en eten karig en eenzijdig voedsel. Het drinkwater komt uit vervuilde grachten, die ook dienst doen als open riolen. Vuilnishopen langs de straten verspreiden een verpestende stank. En in de arme delen van de stad wonen grote gezinnen dicht op elkaar. Besmettelijke ziekten als pokken en cholera hebben vrij spel. Büchner (1780-1855) trekt zich het lot van zijn stadgenoten aan. Hij past nieuwe behandelmethoden toe en wijst op het belang van hygiëne: helder drinkwater, schone straten en een goede riolering. In duidelijke taal brengt Büchner zijn ideeën onder de aandacht van het stadsbestuur. Toch duurt het nog jaren voordat deze zijn adviezen opvolgt.

Vaccinatie tegen de pokken
Pokken wordt veroorzaakt door het zeer besmettelijke variolavirus. Vóór 1850 overlijdt minstens één op de tien personen aan de ziekte. Zij die de ziekte doorstaan, krijgen een door littekens gehavend, pokdalig gezicht en zijn voor het leven getekend. Omdat de pokken vooral jonge kinderen treft, wordt wel gesproken van de ‘kinderziekte’. In 1796 slaagt de Brit Edward Jenner er in om via inenting met het koepokvirus, de ziekte te voorkomen. Büchner is direct een groot voorstander van deze uitvinding. Maar er is ook verzet tegen de vaccinatie, vooral uit de hoek van de orthodox-hervormden. Zij zien inenting als een inbreuk op het vertrouwen in God. Volgens Büchner is het nalatigheid als mensen zich niet laten inenten. Ondanks al zijn inspanningen breekt in de loop van 1831 een pokkenepidemie in Gouda uit. Deze houdt aan tot in 1832. Meer dan 1000 patiënten worden gevaccineerd, maar ondanks dat overlijden er 35 mensen aan de ziekte. Het is de laatste epidemie in zijn soort die Gouda treft. Daarna komen de pokken nog wel terug, maar kan door vaccinatie worden voorkomen dat er veel mensen aan overlijden.

Strijd tegen de cholera
In het voorjaar van 1832 wordt Nederland getroffen door een cholera-epidemie, een zeer besmettelijke darmziekte. In Gouda treft het stadsbestuur op advies van Büchner voorzorgsmaatregelen. Zo wordt een cholerahospitaal aan de Varkensmarkt ingericht om zieken in quarantaine te plaatsen. Ook leren verplegers dat ze overkleding moeten dragen die na het verzorgen van de zieken uitgehangen moet worden in de buitenlucht. Bij ieder huis waar de ziekte wordt vastgesteld, moet een bord met de tekst Braakloop op de gevel worden aangebracht. In augustus constateert Büchner het eerste geval van cholera in de stad. In een paar maanden tijd raken 264 Gouwenaars besmet, van wie er 116 sterven. De doden worden vanwege besmettingsgevaar buiten de singels begraven, op een nieuwe begraafplaats in de Korte Akkeren. Om te voorkomen dat er paniek in de stad zal ontstaan, bij het zien van zoveel slachtoffers, worden de overledenen vlak voor zonsopgang of na zonsondergang begraven. In 1848 en 1866 breekt opnieuw cholera uit en sterven er veel mensen. Daarna komt de ziekte niet meer terug, omdat de maatregelen voor meer hygiëne in de stad eindelijk uitgevoerd gaan worden.

Verspreiden van kennis
Büchner publiceert veel studies, onder meer over pokken en cholera. Zijn belangrijkste werk Bijdragen tot de geneeskundige topographie en statistiek van Gouda is een van de eerste in zijn soort. In dit boek uit 1842 schetst Büchner een indringend beeld van het negentiende-eeuwse Gouda. Zijn verhaal wordt onderbouwd door statistische gegevens die hij verzameld heeft. Hij toont onder meer aan dat de gemiddelde leeftijd van de Gouwenaar in 1840 op 21,4 jaar ligt. Als de doodgeboren kinderen niet worden meegerekend is de gemiddelde leeftijd 23,9 jaar. In andere steden ligt dat cijfer veel hoger, in Parijs 32 jaar en in Londen zelfs 40 jaar.  De hoge sterfte komt volgens de stadsdokter niet door de geografische gesteldheid van de stad, maar door de vochtige arbeiderswoningen, de bedompte (pijpmakers)werkplaatsen, het opgehoopte afval in de nauwe straten, het vervuilde drinkwater en de hoge belastingen op het voedsel. Allemaal zaken waarvoor het stadsbestuur medeverantwoordelijk is. Met zijn onderzoek geeft Buchner de aanzet tot veranderingen die in het laatste kwart van de negentiende eeuw door het stadsbestuur worden aangepakt en verbeterd.