Weeshuis

Zorg voor arme wezen

In 1642 krijgt Gouda er een bijzonder nieuw gebouw bij: het Aalmoezeniers(wees)huis aan de Spieringstraat. Eeuwenlang worden hier weeskinderen opgevangen. Lang is er nog een ander weeshuis in de stad, het Heilige Geestweeshuis. Geldgebrek noodzaakt de beide Goudse weeshuizen in 1812 om samen te gaan. Onder de naam Verenigd Wees- en Aalmoezeniershuis zetten zij hun activiteiten voort aan de Spieringstraat. In 1948 wordt het weeshuis wegens gebrek aan belangstelling opgeheven, maar het monumentale pand met de fraaie voorgevel staat er nog steeds. Boven de ingang zijn in een reliëf twee weeskinderen te zien die het wapen van Gouda omhoog houden.

Voorbereiding op godsvruchtig leven
Van de twee Goudse weeshuizen is het Heilige Geestweeshuis het oudste. Al sinds de middeleeuwen vangen de Heilige geestmeesters (verantwoordelijk voor de armenzorg) weeskinderen op. Aanvankelijk doen zij dit in een pand aan de Markt, maar na de Reformatie trekt het weeshuis in de leeggevallen gebouwen van het collatiebroederklooster aan de Jeruzalemstraat. Het weeshuis wordt dan bestuurd door zes regenten die voor het leven zijn benoemd. Drie, later vier ‘moeders’ of regentessen houden toezicht op de keuken en de naaikamer. Een binnenvader en binnenmoeder zorgen voor de dagelijkse gang van zaken. Zij sturen het huishoudelijk personeel aan en houden toezicht op de weeskinderen. De kinderen zelf krijgen naast een praktisch gerichte opleiding ook een gedegen godsdienstige opvoeding. Zo komt de catechiseermeester (de godsdienstmeester) maar liefst vier maal per week naar het weeshuis. Zondags worden de weeskinderen voor de preekstoel in de kerk overhoord om te zien of ze wel goed hebben opgelet. Het aantal kinderen in het weeshuis daalt van 52 in 1614 naar 41 in 1765.

Spinnen, spoelen, weven
In 1586 wordt de Aalmoezenierskamer opgericht, met als belangrijkste doel het weren van de toenemende bedelarij in de stad. De protestantse instelling is een reactie op het wegvallen van de sociale zorg die voorheen in de kloosters en gasthuizen werd gegeven. Ook de zorg voor weeskinderen die niet in het Heilige Geestweeshuis kunnen worden opgenomen, is in handen van de aalmoezeniers. Omdat de ouders van deze weeskinderen geen poorters (inwoners van de stad) zijn geweest of omdat de kinderen ouder zijn dan tien jaar worden zij aanvankelijk uitbesteed, dat wil zeggen tegen betaling ondergebracht in gezinnen. De vrouwen van de aalmoezeniers bezoeken de weeskinderen ten minste iedere veertien dagen om te zien of ze goed worden verzorgd en zich naar behoren gedragen. Intussen werken de aalmoezeniers plannen uit voor een eigen weeshuis. In 1599 is het Aalmoezeniers(wees)huis een feit. In het pand is plaats voor 24 weeskinderen. Vier buitenmoeders of regentessen houden toezicht op de wezen. Ook hier zijn de binnenvader en -moeder verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken in het weeshuis. De werkmeester en zijn vrouw leren de weeskinderen spinnen, spoelen en weven. Oudere weeskinderen melden zich vaak aan bij de VOC en de WIC, waar ze altijd scheepsjongens kunnen gebruiken. In 1642 bouwen de aalmoezeniers een nieuw weeshuiscomplex op het terrein van het voormalige Margarethaklooster aan de Spieringstraat. Hier is plaats voor meer weeskinderen. In 1683 wonen maar liefst 60 jongens en 55 meisjes in het weeshuis.

Samenvoeging en opheffing
In 1812 gaat het slecht met de stad en geldgebrek brengt de besturen van het Heilige Geestweeshuis en het Aalmoezeniers(wees)huis ertoe de beide weeshuizen samen te voegen. Omdat het Aalmoezeniers(wees)huis over het beste gebouw beschikt, wordt het Verenigd Wees- en Aalmoezeniershuis in het complex aan de Spieringstraat ondergebracht. In 1849 neemt door de slechte leefomstandigheden in de stad het aantal wezen zo sterk toe, dat kinderen van tien jaar en ouder weer in pleegezinnen worden geplaatst. De jongens krijgen een opleiding tot ambachtsman, de meisjes tot dienstbode of naaister. Bij hun vertrek uit het weeshuis ontvangen ze een uitzet. In 1928 schaft het weeshuis de uniforme kleding in de Goudse stadskleuren rood en wit af. Als in 1941 de Duitsers het weeshuis vorderen dient een woonhuis aan de Zoutmanstraat 33 als tijdelijk onderkomen voor de weeskinderen. Na de oorlog is de belangstelling voor het weeshuis zo gering dat in 1948 wordt besloten de huisvesting van weeskinderen te beëindigen. Van 1973 tot 2014 is de Openbare Bibliotheek in het complex aan de Spieringstraat gevestigd. Als deze instelling naar de Chocoladefabriek verhuist, volgt er een periode van leegstand en onduidelijkheid. Uiteindelijk krijgt het fraaie pand een nieuwe bestemming als luxe hotel.