Armenscholen
In de zestiende eeuw is er in Gouda maar één school, de Latijnse School. Hier krijgen jongens uit de elite hun opleiding. Later komen daar wel enkele ‘bijscholen’ bij, maar de kwaliteit van het daar gegeven onderwijs is vaak slecht. Vooral de arme kinderen gaan niet naar school, omdat ze moeten werken voor de kost. Rond 1800 kan ongeveer driekwart van de vrouwen en de helft van de mannen in Gouda niet lezen en schrijven. Onder invloed van de Verlichting verandert eind achttiende eeuw het denken over onderwijs aan kinderen. In 1816 wordt een armenschool opgericht voor kinderen van 7 tot 15 jaar. De school zit in het voormalige Heilige Geestweeshuis in de Jeruzalemstraat. Zij krijgen daar enkele uren per dag les, zodat ze daarnaast nog kunnen werken. De school is een groot succes. In 1824 telt de armenschool al zo’n 350 leerlingen en in 1844 maar liefst 1100. Ondertussen is er in 1837 ook een stadstussenschool opgericht. Daar gaan kinderen heen van ouders die te rijk zijn voor de armenschool, maar niet genoeg geld hebben om particulier onderwijs voor hun kinderen te kunnen betalen. Hier gaan in 1844 400 kinderen heen.
Anna Barbara van Meerten-Schilperoort
Naast het onderwijs voor de armen – waarbij tachtig kinderen in een klas geen uitzondering is – zijn er in Gouda in de negentiende eeuw ook privéscholen met kleinere klassen. Bijvoorbeeld het ‘Instituut voor Opvoeding’ van domineesvrouw Anna Barbara van Meerten-Schilperoort. Rond 1810 richt zij een dagschool voor meisjes op. Het zijn meisjes van ‘hoogaanzienlijken en deftigen burgerstand’. Voor het flinke bedrag van 900 gulden per jaar krijgen de meisjes kost en inwoning en onderwijs in ‘alle vakken van een vrouwelijke beschaafde opvoeding’. Anna Barbara ontwikkelt veel lesmateriaal zelf. Zo behandelt zij in het Magazijn voor kinderen uitgebreid het planten- en dierenrijk en komen ook aardrijkskunde en de sterrenwereld aan bod. Haar kinderbijbel geniet landelijke bekendheid. In het boek Magazijn voor jonge juffrouwen behandelt zij eenvoudige natuurkundige proeven en vertelt ze over de natuur in de vorm van een bezoek aan de dierentuin. In haar boeken wil ze haar leerlingen bijbrengen wat goed en slecht is. Ze schrijft teksten voor opgroeiende jongeren over (wat in die tijd) algemeen fatsoenlijk gedrag is en over godsdienst. Onder een schuilnaam publiceert zij zelfs de eerste boeken over seksuele voorlichting.
Bijzondere scholen
In de tweede helft van de negentiende eeuw neemt het aantal scholen nog verder toe. In de nieuwe grondwet van 1848 is de vrijheid van onderwijs voor het eerst vastgelegd. Dit betekent dat kerken van verschillende geloofsrichtingen voortaan hun eigen scholen mogen oprichten. Ook in Gouda verschijnen dit soort ‘bijzondere´ scholen op religieuze grondslag’ (op basis van een bepaald geloof). Zo wordt reeds in 1849 op de Hoge Gouwe 31 een katholieke kleuterschool (bewaarschool) opgericht. Er wordt les gegeven door zusters Franciscanessen van Oudenbosch. Drie jaar later volgt de eerste katholieke lagere school voor meisjes aan de Westhaven en nog weer later een jongensschool (de St. Aloysius aan de Spieringstraat). Ook de protestanten richten eigen scholen op. Deze bijzondere scholen worden niet door de overheid betaald, openbare scholen wel. Dat leidt tot langdurige felle politieke discussies. Dit wordt de Schoolstrijd genoemd. Die eindigt in 1917 als allebei de soorten onderwijs op dezelfde manier worden betaald. Het aantal scholen blijft hierdoor groeien. Op dit moment telt Gouda 33 basisscholen.
Voortgezet onderwijs
Met het basisonderwijs steeds beter georganiseerd, groeit halverwege de negentiende eeuw de behoefte aan goed voortgezet onderwijs. De wet op het middelbaar onderwijs van 1863 regelt de oprichting van de Hogere Burgerschool (HBS). Ook Gouda krijgt een Rijks HBS (een voorloper van het huidige Leo Vromancollege). De leerlingen krijgen hier les in wis-, natuur- en scheikunde en de moderne talen. Net als in het basisonderwijs komen er strengere kwaliteitseisen voor de docenten en worden er steeds betere lesmethodes ontwikkelt. Meisjes zijn eerst niet welkom. Vanaf 1871 pas na goedkeuring van de minister en vanaf 1906 kunnen ze wél naar de HBS.