Koloniaal verleden

Regenten en het koloniale economische systeem

In het midden van de achttiende eeuw is Gouda een redelijk welvarende stad, maar de verschillen tussen de inwoners zijn groot. Terwijl de armen hard werken voor een karig loon, hebben de rijke bestuurders van de stad (de regenten) het heel erg goed. Zij laten schitterende huizen bouwen aan de belangrijkste grachten van de stad. Het geld dat ze daarvoor nodig hebben, verdienen ze in de handel en met beleggingen. Verschillende Goudse regenten zijn in deze periode betrokken bij de koloniale handel en bezitten plantages met slaafgemaakten. Op deze manier is ook Gouda verbonden met het koloniale economische systeem, maar wel op een kleinere schaal dan steden als Amsterdam, Rotterdam en Vlissingen.

Kaas, lonten en 'negerpijpen'
In de achttiende eeuw groeit de koloniale handel van de Republiek. Ook Goudse bedrijven produceren voor de koloniën en voor de overzeese scheepvaart. Lokale zeilmakerijen en touwslagerijen leveren aan de VOC en de WIC. Hetzelfde geldt voor bedrijven die lont produceren voor de scheepskanonnen. Kaas is een belangrijk product dat zeer geschikt is als proviand op de lange scheepsreizen. Een ander veelgevraagd Gouds product voor op de schepen en voor de bewoners van de koloniën is de Goudse pijp. De pijpen zijn onderdeel van de driehoekshandel waarbij Europese kooplieden goederen op de westkust van Afrika omruilen voor slaafgemaakten. De slaafgemaakten worden op schepen naar de Amerika’s gebracht en daar op markten verkocht. Met het verdiende geld kopen de kooplieden plantagegoederen om mee terug te nemen naar Europa en daar met winst te verkopen. Pijpenmaker Frans Verzijl produceert speciaal voor de slaafgemaakten op de plantages zogenaamde negerpijpen. Het zijn eenvoudige pijpen met een korte steel. De slavenhouders staan het roken toe, omdat de slaafgemaakten er rustig van worden. Zelf roken ze de luxe, duurdere pijp met de lange steel.

De Moriaan
Goudse inwoners kopen en verwerken producten uit de Amerika’s. Het zijn zogenaamde koloniale waren, bijvoorbeeld suiker, koffie, cacao en tabak. Dit wordt allemaal geproduceerd op plantages waar slaafgemaakten werken. Er zijn in de stad suikerraffinaderijen, zoals Maes en Hartman aan de Peperstraat. De stad telt in het midden van de achttiende eeuw meer dan tweehonderd winkeltjes die specerijen, thee of koffie verkopen. In het pand De Moriaan aan de Westhaven is lange tijd zo’n winkel gevestigd. Het feit dat er zoveel winkels zijn die koloniale waren verkopen, laat zien dat er in alle lagen van de bevolking vraag naar is. De nieuwe producten worden thuis in de keuken gebruikt of genuttigd in een koffiehuis.

François de Mey
De Goudse elite is vergeleken met andere steden niet bijzonder vermogend. François de Mey behoort tot de rijkste Goudse regenten. Hij is bijna vijftig jaar lid van de Goudse vroedschap, elf jaar burgemeester en de Goudse bewindhebber (bestuurder) bij de WIC. Ook is hij mede-eigenaar van de plantages Groot Marseille, Klein Marseille en Ephrata in Suriname. Daarmee is hij eigenaar van een groot aantal slaafgemaakten. Deze mensen worden beschouwd als productiemiddel en staan daarom op de inboedellijsten van de plantages. Dankzij deze lijsten kennen we de namen van alle slaafgemaakten van De Mey. Dit zijn niet hun oorspronkelijke namen, tot slaaf gemaakten krijgen een nieuwe naam toebedeeld. Soms op basis van hun eventuele (lichamelijke) beperkingen. Zoals ‘Mallo met het houten been’, die bij verkoop waarschijnlijk minder geld op brengt. In 1751 koopt De Mey enkele panden aan de Oosthaven en laat er een fraai woonhuis van maken met een rijkversierde voorgevel. Het stadspaleis krijgt de naam De sterke Samson.

Regentencultuur
De rijke bestuuders van de stad (regenten), wonen aan de Haven en de Gouwe. Vooral aan de Haven verschijnen grote statige huizen waarbij twee of meer woningen worden samengevoegd tot één woonhuis met barokke voorgevel. Ook het in dienst hebben van personeel en het bezit van koetsen, buitenplaatsen of heerlijkheden geven aanzien. Vanaf 1770 is er een duidelijke stijging van dit soort bezittingen in Gouda. De huizen worden verfraaid met beschilderde plafonds, schilderijen en mooie meubelen, maar ook met schitterend porselein uit Azië. Gasten worden getrakteerd op koffie of thee met zoete lekkernijen gemaakt van cacao, suiker en fijne specerijen. Daarbij roken de heren een Goudse pijp met heerlijk geurende tabak. Allemaal dure en luxeproducten die op de markt zijn gekomen door de koloniale handel. Al het heerlijks wordt opgediend door bedienden die dag en nacht in huis zijn om hun heer en dame te dienen. Het zijn geen slaafgemaakten, want in de Republiek is slavernij verboden. Soms heeft een regent een bediende van kleur in huis, zoals Kaatje de Westindische dienstmeyd van de heer Van der Graaff.