Een ‘Fondatie’
Hofjes van barmhartigheid komen al sinds de middeleeuwen voor. Ze geven onderdak aan oudere stadsgenoten in behoeftige omstandigheden. In Gouda zijn er vooral in de zeventiende eeuw veel gebouwd. Stuk voor stuk zijn ze betaald door rijke Gouwenaren die flinke sommen geld opzijzetten voor de bouw van kleine woningen voor hulpbehoevende ouderen. Vaak wordt in een testament bepaald dat er een hofje gesticht moet worden. Dit wordt ook wel ‘Fondatie’ genoemd . Meestal bepaalt de stichter precies wat de voorwaarden moeten zijn van de bouw, reglementen, bewoners en de regenten(dat zijn de bestuurders). Hofjes kennen een selectief toelatingsbeleid. Alleen vrouwen worden toegelaten en meestal krijgen verarmde familieleden of geloofsgenoten van de schenker voorrang. De regels voor de bewoners zijn streng: “Niet krakeelen, schelden, drijgen, slaan of vloeken” én trouw kerkganger zijn.
Middeleeuwse begijnhoven, die vaak rond een open binnentuin zijn gebouwd, zijn vermoedelijk het voorbeeld voor de bouw van de zeventiende-eeuwse Goudse hofjes. Die vorm blijft tot de stichting van het laatste hofje in 1887 hetzelfde. Om de ‘hof’, de binnentuin, liggen een aantal woningen waarin de arme, alleenstaande vrouwen wonen. Het valt op dat de hofjes niet op gewilde locaties worden gebouwd. Dat is waarschijnlijk om de kosten te drukken. De huisjes zelf zijn bijzonder klein, zonder keuken. Het gezamenlijke secreet (WC) staat buiten, evenals een pomp. Een conciërge handhaaft de orde, ziet erop toe dat de poort tijdig gesloten wordt en dat er geen ongeoorloofde dingen gebeuren binnen de vrouwengemeenschap. Soms is er een regentenkamer (bestuurskamer).
Swanenburghs hofje
Aan de Groeneweg 42 staat een onopvallend poortje met een gevelsteen met daarop twee zwanen en een kasteeltoren. Het verwijst naar de stichter en naamgever van het achterliggende hofje: houtkoopman Cornelisz Swanenburgh. Zijn weduwe, Elisabeth Nathan Bars, laat na haar dood in 1691 al haar geld na aan de diaconie van de Sint-Janskerk, die er op de plek van het half ‘verbrande erf’ van het voormalig Sint Margrietenklooster een hofje van laat bouwen. Het hofje bestaat oorspronkelijk uit zestien kleine huisjes, met een voorhuis en een ‘binnenhaard’, de woonkamer. De entreepoort ligt eerst aan de Spieringstraat. Om het startkapitaal te vergroten laat de weduwe Swanenburgh daar ook een huis na, dat kan worden verhuurd. Ondanks dat treedt in de achttiende en negentiende eeuw, net als bij zoveel andere Goudse hofjes, het verval in. In 1891 blijkt het hofje in zeer bouwvallige staat te verkeren en in 1892 volgt een grondige verbouwing. Dan verhuist de ingang naar de achterzijde van de hof aan de Groeneweg. Later, in 1980 komt het beheer in handen van de Stichting Christelijke Hulpverlening ’t Swanenburghshofje. Zij bieden laagdrempelige psychosociale en maatschappelijke hulp. Dit wordt betaald met diaconale kerkelijke bijdragen vanuit de regio Gouda.
Oudemannen- en vrouwenhuis
Naast hofjes zijn er van oudsher (proveniers)huizen waarin oude mannen of vrouwen gemeenschappelijk wonen. Een proveniershuis is een wooncomplex waar bewoners zich voor een eenmalig bedrag inkopen (een preuve) en vervolgens levenslang 'gratis' kost en inwoning genieten. In 1555 stelt Willem Vroesen (1478-1561) een woning beschikbaar voor de huisvesting van twaalf onvermogende oude mannen. Uitdrukkelijk geldt de bepaling dat slechts mannen daar mogen komen wonen. Ook bij echtparen houden de regenten zich strikt aan deze regel; opname van een getrouwde man betekent dus feitelijk een scheiding. In het tehuis gelden strenge regels. Ruziemaken mag niet. Wie te laat is voor het eten, moet de maaltijd aan zich voorbij laten gaan. Na zeven uur ’s avonds mag niemand het huis verlaten. Desondanks ontwikkelt het Oudemannenhuis zich zo voorspoedig, dat in het begin van de zeventiende eeuw een groter tehuis wordt gebouwd. Hier is plaats voor 25 mannen. In 1977 verlaat de 92-jarige A.R. van de Putte als laatste het tehuis. Na een grondige restauratie krijgt het complex een algemene woonbestemming.
Het Elisabeth Gasthuis voor oude vrouwen is oorspronkelijk aan de Lange Groenendaal gevestigd. Kort na 1480 verhuist het naar de Spieringstraat. Het hofje bestaat dan uit een hoofdgebouw en een aantal huisjes. De vrouwen wonen zelfstandig in de kamerwoningen, maar het tehuis voorziet in hun levensonderhoud. Eind zestiende eeuw wordt het Elisabeth Gasthuis verplaatst naar de Kleiweg. Daar staat het vanaf die tijd bekend als het Oudevrouwenhuis. Het gebouw bestaat uit twee zalen naast de hoofdingang en een binnenplaats met aan beide kanten kamers voor oude vrouwen. Het gebouw wordt in 1938 afgebroken. De bewoners verhuizen naar het nieuwgebouwde Huize Juliana aan de Koningin Wilhelminaweg. In 1973 wordt op de plaats van het Oudevrouwenhuis de HEMA gebouwd. De bewaard gebleven hoofdpoort van het gasthuis staat nu aan de achterzijde van het Lazaruspoortje, dat toegang geeft tot de museumtuin.