1941-1945

Kamp Amersfoort

Gevangenen in kampen tijdens de Tweede Wereldoorlog

Tijd van wereldoorlogen

Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) was Nederland door Duitsland bezet. In heel Europa richtten de Duitsers grote kampen op om politieke gevangenen en Joden in op te sluiten. In 1941 kwam ook in de bossen bij Amersfoort een gevangenenkamp. De veroordeelden kwamen per trein in Amersfoort aan. Onder bewaking van Duitse soldaten marcheerden zij door de straten naar Kamp Amersfoort. De Amersfoortse bevolking kon slechts toekijken; de oorlog kwam door dit kamp wel akelig dichtbij.

Duits politiekamp
Kamp Amersfoort was een Duits politiekamp waar gevangenen van de Duitsers moesten werken tot ze werden vrijgelaten of op transport werden gesteld. 'Op transport' betekende dat zij per goederentrein naar een concentratiekamp in Duitsland of Polen werden gebracht. Zeker 50.000 mensen hebben in Kamp Amersfoort opgesloten gezeten. De meesten waren mannen, maar er waren ook enkele vrouwen en zelfs kinderen bij. De kampcommandant had de dagelijkse leiding en niemand controleerde hem. Samen met zijn bewakers ging hij ongestoord zijn gang.

Het kamp was hard en wreed
Het ging er hard aan toe in Kamp Amersfoort. Straffen en mishandelingen waren aan de orde van de dag. Gevangenen werden met knuppels geslagen, geschopt, gemarteld en soms zelfs gedood. Vooral de Joden hadden het zwaar te verduren. Een bekende straf was staan in de 'rozentuin'. De benaming doet denken aan een mooie bloementuin, maar het tegendeel is waar. De kale strafplaats was afgezet met prikkeldraad. De gevangenen vergeleken de prikkels met de doornen van rozenstruiken. Nieuwkomers of gevangenen met straf moesten hier urenlang stokstijf stilstaan. Als ze bewogen kregen ze slaag. De nieuwkomers zagen zo op hun eerste dag al meteen hoe het er in het kamp aan toeging. Ze waren geschokt door wat zij zagen.

Stofwolk of modderpoel
De smerigheid in het kamp was onvoorstelbaar. In de winter veranderde het kampterrein in een modderpoel, in de zomer was het één stofwolk. Overal lagen vuilnishopen. Het deels open riool was een bron van bacteriën en ziektes. De stank was onverdraaglijk. De slaapbarakken waren ongelooflijk smerig. Weken of maanden sliepen de gevangenen onder dezelfde dekens. Ze droegen soms maandenlang dezelfde kleding. Eens per week mochten ze douchen, met koud water. De vreselijke jeuk door lijfluizen was een extra straf bovenop de kampmartelingen.

Zes dagen per week werken
Het leven in het kamp was zwaar. Er werd zo'n negen uur per dag gewerkt. Er waren allerlei verschillende soorten werkzaamheden: aardappels schillen, stenen sjouwen, bomen rooien, lopen met een loodzware wals. De Joden moesten het zwaarste werk doen. Alleen op zondagmiddag waren de gevangenen vrij om binnen het kamp iets voor zichzelf te doen. Sommigen maakten dan gebruiksvoorwerpen van afvalmaterialen. Drie keer per dag was er appèl op de speciale appèlaats: de gevangenen moesten dan in rijen van tien (en soms uren) gehoorzaam allerlei commando's opvolgen. Als deze niet goed werden uitgevoerd, volgden er weer lijfstraffen.

Koolsoep en waterige stamppotten
Naast angst, pijn en uitputting was er ook honger in het kamp. Vooral in de eerste jaren van het kamp kregen de gevangenen weinig te eten. Ze aten waterige stamppot of koolsoep als lunch en 's avonds twee boterhammen met een beetje kaas, jam of worst. Gevangenen stierven letterlijk van de honger. Vanaf 1943 werd dankzij het Nederlandse Rode Kruis het eten iets beter: voedzamer en met meer brood. Ook mochten gevangenen voedselpakketten ontvangen, behalve de Joodse gevangenen. Loes van Overeem van het Rode Kruis speelde een belangrijke rol in deze verbetering.