Plateel
Sieraardewerk is een algemene term voor voorwerpen die zijn gemaakt van gebakken klei, die niet bedoeld zijn voor dagelijks gebruik maar voor versiering, zoals vazen, tegeltableaus en beelden. Plateel is een bepaald soort sieraardewerk. Het maken van plateel gebeurt in een aantal stappen. Eerst wordt het aardewerk gebakken in een oven. Dan brengt de plateelschilder een versiering aan. Hier overheen wordt een transparante glazuurlaag aangebracht. Tenslotte wordt het aardewerk nog een keer in de oven gebakken waarbij de schildering versmelt met de glazuurlaag en zo wordt ingebrand.
Gouds plateel
Rond 1900 wordt op veel plaatsen in Nederland sieraardewerk geproduceerd in de trant van de internationale Art Nouveau. Gouda is dan al eeuwenlang bekend vanwege haar kleipijpen en grof gebruiksaardewerk. De stad heeft een goede infrastructuur voor de productie van voorwerpen in klei. Dat is waarschijnlijk de reden waarom Egbert Estié vanuit Purmerend naar Gouda komt. Hier richt hij samen met producent van grof aardewerk Adriaan Jonker, de ‘Plateelbakkerij Zuid-Holland E. Estié & Co.’ op, bekend als 'de Zuid-Holland', in de volksmond ‘Plazuid’. De eerste stukken die Estié in Gouda produceert vertonen een opvallende gelijkenis met producten uit Den Haag, Utrecht en Purmerend. Vooral het Haagse Rozenburg vormt een belangrijke inspiratiebron. Dit bedrijf presenteert in 1900 het zogenaamde ‘eierschaalporselein’. Dat zijn ragfijn gedecoreerde en flinterdun gegoten siervoorwerpen, die overal in de wereld prijzen in de wacht slepen en erg kostbaar zijn. Estié neemt de manier van decoreren over, maar werkt niet op porselein, maar op het veel goedkopere en gemakkelijker te decoreren aardewerk. Hij haalt schilders van Rozenburg naar Gouda en zo komt hij aan de zogenaamde P-decors, waarbij de P verwijst naar porselein en decor staat voor een bepaald motief. Het succes blijft niet uit, want enkele jaren na de oprichting werken er in Gouda al een kleine honderd arbeiders. Al snel ontstaan ook ‘eigen’ decors: irissen, tulpen, viooltjes en papavers, geschilderd tegen een veelal groene achtergrond, bekend geworden als decor ‘Gouda’. Daarmee is het ‘Gouds plateel’ pas echt als een eigen soort ‘gedecoreerd aardewerk’ geboren, eerst glanzend en later ook mat geglazuurd.
Van ambacht naar industrie
Onder leiding van de artistieke Estié is nog sprake van een ambachtelijk bedrijf. Zijn opvolger in 1908, Willy Hoyng, maakt van Plazuid een industriële onderneming. Ontwikkelingen als nieuwbouw, nieuwe ovens en standaardisering van het productieproces hebben vooral voor de plateelschilders vergaande gevolgen. Ponsieven doen hun intrede: papier met gaten, vergelijkbaar met overtrekpapier, waarin het motief met een naald is doorgeprikt. Dit doorgeprikte papier wordt op het aardewerk geplaatst, en door poeder op het papier te kloppen, komt het motief over op het object. Plateelschilderen wordt daardoor een soort lopende bandwerk.
Met name in de jaren twintig, de bloeiperiode van het matgeglazuurde plateel, werken er meer dan honderd schilders bij Plazuid, zowel mannen als vrouwen. Nieuwkomers in de Goudse aardewerkindustrie zijn rond 1918 Ivora, Zenith en Regina, in 1923 gevolgd door Goedewaagen. Stuk voor stuk bedrijven die hun oorsprong hebben in de productie van kleipijpen. Door de stagnerende export ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog zijn zij overgestapt op het sieraardewerk waarmee 'de Zuid-Holland' zo succesvol is. Zo groeit de Goudse aardewerkindustrie in de jaren twintig uit tot de belangrijkste tak van industrie in Gouda.
Staking en economische crisis
Tijdens een staking van ruim een half jaar in 1928/1929 raakt Plazuid een deel van haar wereldwijde markt kwijt. De economische crisis van 1929 en de jaren daarna doen daar keihard een schepje bovenop. Handgeschilderd plateel wordt te duur voor de consument. Ondanks het predicaat ‘Koninklijk’ (in 1930) zijn in 1932 bijna alle schilders ontslagen. Plateelfabrieken nemen hun toevlucht tot de glazuurspuit, zo ontstaat het zogenaamde ‘crisisgoed’. Met het aantrekken van de economie rond 1935 komen de plateelschilders wel weer terug, maar steeds worden hun decors gecombineerd met spuitwerk. Het ‘Gouds plateel’ van de voorgaande decennia wordt definitief iets van het verleden. Om minder afhankelijk te zijn van economische omstandigheden wordt het assortiment uitgebreid, onder andere met serviesgoed. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt men nog enkele jaren door, vooral met eenvoudig gebruiksaardewerk voor de bezetter. Door gebrek aan grond- en brandstoffen komt de productie uiteindelijk geheel stil te liggen.
Wederopbouw en sluiting
Na de oorlog wordt de positie van Plazuid als initiator en vernieuwer overgenomen door Regina, Goedewaagen en - een nieuweling - Flora. Deze laatste specialiseert zich volledig in modieus vormgegeven en gedecoreerd sieraardewerk. Andere bedrijven volgen dit voorbeeld, hoewel Regina en Goedewaagen in de jaren vijftig juist ook prachtige serviezen uitbrengen. Met het overlijden van directeur Hoyng in 1954 raakt 'de Zuid-Holland' stuurloos. Er komt een nieuwe directie en deze gokt op de productie van porselein. Dit blijkt de nekslag; halverwege 1964 wordt de productie stilgelegd. Het faillissement volgt in februari 1965. De andere bedrijven houden het langer vol, maar met het faillissement van plateelbakkerij Zenith verdwijnt in 1984 de laatste vertegenwoordiger van de imposante Goudse aardewerkindustrie. Goedewaagen heeft dan Gouda als vestigingsplaats al ingeruild voor het Drenthse Nieuw-Buinen. Onder de naam Royal Goedewaagen gaat de fabriek daar tot op de dag van vandaag door met de productie van sieraardewerk in de trant van het welbekende Gouds plateel.
In 2025 beschikt Gouda nog wel over de Nederlandse Keramiekopleiding waar uiteenlopende opleidingen en cursussen gevolgd kunnen worden. Ook hebben diverse keramisten hun atelier in Gouda.