Het middeleeuwse gasthuis
Het kleine houten gasthuis op de voorhofstede biedt onderdak aan reizigers, zoals rondtrekkende kooplui of handwerklieden, bedelmonniken, landlopers, pelgrims of misdadigers die verbannen zijn uit hun woonplaats. Deze mensen mogen alleen op de voorhofstede komen. Dit is om besmettelijke ziekten of onbetrouwbare personen buiten de hof te houden. Het gasthuis staat op de plek van het latere Catharina Gasthuis, de gebouwen waar nu Museum Gouda in gevestigd is. In dezelfde ruimte waar zieken en reizigers liggen staat een altaar, en er is een eigen priester. Na de stadsbrand van 1361 moet het gasthuis weer opgebouwd worden en wordt het altaar (opnieuw) gewijd aan de heilige Catharina, waaraan het gasthuis haar naam dankt. Pas in 1474 krijgt het Catharina Gasthuis een aparte, naastgelegen kapel.
Bestuur en organisatie
Voor de kosten van medische zorg, eten en drinken, verwarming en kleding van de hulpbehoevenden in het middeleeuwse gasthuis zijn inkomsten nodig. Het is de taak van elke gelovige katholiek om goede werken te doen. Dat kan met giften voor arme zieken en ouderen. Het gasthuis is hier dus zeer geschikt voor. Rijke Gouwenaars schenken geld of betalen een jaarlijkse rente op hun huis. Zo is er in 1315 een vermelding in een document van een echtpaar dat jaarlijks een rente op hun huis aan het hospitael van der Goude schenkt. En in een testament uit 1350 staat dat de opstellers van het document geld schenken aan het gasthuis voor het uitdelen van schoenen aan de armen.
Daarnaast heeft het gasthuis inkomsten uit eigen bezit als landerijen en huizen, en ook de stad draagt bij. Het gasthuis mag namelijk bepaalde stedelijke heffingen en accijnzen innen, zoals het geld dat schippers moeten betalen voor het gebruik van de stadskraan die vóór het gasthuis aan de Haven staat. Een deel van de opbrengst van het hofstedegeld (een belasting op onroerend goed) is eveneens bestemd voor het gasthuis. Om de financiële administratie goed te regelen wordt al vroeg een bestuur van gasthuismeesters aangesteld. De werkzaamheden in het gasthuis worden uitgevoerd door personeel dat onder leiding staat van binnenvaders en binnenmoeders. Er zijn vele taken, zoals brood bakken in de eigen bakkerij, bier brouwen, het onderhoud van de moestuin, de zorg voor de zieken, werken in de keuken en het schoonhouden van alle ruimtes.
Zorg
Reizigers of handelaren met geld zoeken onderdak in een herberg of logement in de stad. Arme voorbijgangers krijgen gratis onderdak in het gasthuis en mogen er één tot drie nachten verblijven, afhankelijk van omstandigheden als het weer of de gezondheid van de reiziger. Daarnaast worden er arme zieke gouwenaars verzorgd. Deze moeten, indien mogelijk, een vergoeding betalen voor de zorg en bij overlijden vervalt hun bezit aan het gasthuis. Door de aanwezigheid van mensen van buiten Gouda en van zieken, loop je risico op besmetting. Meer bemiddelde mensen laten als ze ziek zijn daarom de dokter aan huis komen. Het gasthuis biedt ook plaats aan enkele kostkopers. Dat zijn bejaarden die bij binnenkomst eenmalig een vast bedrag betalen voor kost en inwoning.
De regels in het gasthuis zijn streng, met vaste tijden voor opstaan en naar bed gaan, voor eten en wassen. De stadsdokter bezoekt de patiënten in het gasthuis iedere dag en schrijft medicijnen voor. Aan het einde van de zestiende eeuw worden onder het koor van de gasthuiskapel zogenaamde dolcellen gebouwd voor overlast gevende geesteszieken. Geesteszieken worden dullen of dollen genoemd. Ze worden meestal door hun familie onderhouden. Als dat niet gaat, worden ze opgesloten.
Ziekenhuis
In 1542 wordt de grote ziekenzaal van het gasthuis verbouwd. De imposante zaal ligt aan de achterzijde van de gebouwen. Tegenwoordig bevindt zich hier het open depot voor de belangrijkste collectie van het museum. In de zeventiende eeuw wordt het deel aan de Oosthaven vernieuwd met een gevel in de stijl van het Hollands classisme. Er komen regentenkamers voor de bestuurders en een kamer voor de vergaderingen van het nieuwe chirurgijnsgilde. Daarachter wordt een lange ziekenzaal ingericht, het Ruim, waar plaats is voor 39 bedden. Dat is nu de zaal waar de collectie schuttersstukken van het museum hangt. In de tweede helft van de negentiende eeuw worden gasverlichting en stromend water aangelegd. In diezelfde periode laat stadsarts Martinus Spruyt moderne medische instrumenten aanschaffen zoals in 1895 een röntgentoestel. Ook komen de eerste gediplomeerde verpleegkundigen te werken in het Catharina Gasthuis. Na ingebruikname van het Van Itersonziekenhuis in 1910 verliest het Catharina Gasthuis zijn ziekenhuisfunctie. Na 1938 wordt het gebouw ingericht als museum van de stedelijke historische en museale collectie.
Gasthuizen voor besmettelijke ziekten
Zoals overal in de Nederlanden heersen ook in Gouda vanaf de late middeleeuwen geregeld besmettelijke ziekten. Bijvoorbeeld lepra of melaatsheid dat waarschijnlijk door handelskaravanen en de kruisvaarders wordt meegenomen uit het Midden-Oosten. Lepra is heel besmettelijk en de zieken worden apart opgevangen in een eigen gasthuis buiten de stadsmuur. Dit Leprooshuis ligt op de plek van de huidige Wachtelstraat en heeft een agrarisch karakter met veel grond die door de bewoners wordt bebouwd. Leprozen mogen tijdens bepaalde dagen bedelen in de stad. Ze dragen een houten klepper bij zich waar ze veel lawaai mee maken om hun komst aan te kondigen en burgers te waarschuwen. Een andere ernstige ziekte is de pest, die in 1349 voor het eerst door Europa raast en waarbij meer dan een derde van de Europese bevolking overlijdt. Ook Gouda wordt meerdere malen door de ziekte getroffen onder andere tijdens de Tachtigjarige Oorlog.
Het stadsbestuur besluit in 1609 tot de bouw van een apart pesthuis voor arme pestlijders en soldaten die met de pest besmet zijn. Het pesthuis wordt gebouwd in de voormalige gebouwen van het Maria Magdalenaklooster dat dicht bij de stadsmuur ligt, zodat isolatie van de zieken gewaarborgd is. Naast een eigen arts, de pestmeester, zijn er pestdragers die zieken ophalen uit de stad en naar het pesthuis brengen. Degenen die overlijden in het pesthuis, ongeveer de helft van de opgenomen mensen, worden begraven op het naastgelegen pestkerkhof. Het pesthuis wordt weer in gebruik genomen als quarantaine-ziekenhuis tijdens de cholera-epidemieën vanaf 1832.