Johannes de Doper
In de tijd dat de heren van der Goude hun hofstede en motte bouwen, richten ze ook een (hof)kapel in. De kapel ligt naast de motte op een eigen terp en wordt bij haar (in)wijding opgedragen aan de heilige Johannes de Doper. De gelovigen bidden tot hem en hopen dat Johannes, ook wel Sint Jan genoemd, over de kerk en over hun stad zal waken en haar zal behoeden voor ongeluk. De kapel, later parochiekerk, draagt daarom zijn naam: Sint-Janskerk. Bijna iedereen is in die tijd gelovig en behoort tot de katholieke kerk. Gouwenaars gaan er iedere dag naar de Heilige Mis en ontvangen de communie. Ouders laten in de kerk hun kinderen dopen, geliefden ontvangen er het sacrament van het huwelijk en als iemand overlijdt, dan wordt hij in of rondom de kerk begraven. De Sint-Janskerk is in de late middeleeuwen en zestiende eeuw de enige parochiekerk in Gouda en het gebouw groeit mee met het stijgende aantal inwoners in de stad.
Kapellen en gasthuizen
Als je door Gouda loopt rond 1500 dan zie je veel tekenen van katholiek leven. Zoals kleine Mariakapelletjes waar een Mariabeeld staat en waar kaarsen branden. Soms zijn de kapelletjes in de gevel van een huis. Je komt langs grote kloosters met hun eigen kapel. En er zijn verschillende gasthuizen in de stad met een kapel en een toren. Een gasthuis is een plek waar arme oude mensen, arme zieken of mensen van buiten de stad onderdak en zorg krijgen. De gasthuizen zijn opgericht door een beroepsgilde of door een broederschap, een religieuze vereniging van burgers. Voor katholieken is het belangrijk dat je goede werken doet; zorgt voor armen, daklozen en zieken bijvoorbeeld. Dat is goed voor je zielenheil na de dood. Een katholiek gelooft dat hij na zijn overlijden niet direct naar de hemel gaat, maar eerst in het vagevuur komt. Daar wordt de gelovige gestraft voor de zonden die hij tijdens zijn leven heeft begaan. Hoe meer goede werken je doet tijdens je leven, hoe korter het verblijf in het vagevuur zal zijn. Naast alle religieuze gebouwen is ook het straatbeeld anders dan nu. Er lopen veel geestelijken rond in herkenbare kleding als pijen. Mensen dragen een kruisje of een rozenkrans bij zich. En er zijn pelgrims in de stad; mensen die te voet naar een heilige plek trekken. Ze zijn op bedevaart en wandelen langs kapellen en gasthuizen voor gebed en overnachting. Ze dragen een ransel met nap op hun rug en hebben een pelgrimsstaf in de hand.
Kleuren, geuren en gezang
Als je vroeg in de ochtend de Sint-Janskerk binnenkomt, dan komt het gezang van de priesters en koorzangers je tegemoet. Er zijn in de zestiende eeuw een hoofdaltaar en ongeveer 45 zijaltaren. De kerkgangers staan tijdens de vieringen, net als de voorgangers, met hun gezicht naar het altaar toe. Er zijn geen stoelen of banken waar je op kan gaan zitten. De altaren zijn versierd met schilderijen, fraaie kleden, muurschilderingen en beelden. Er branden dag en nacht kaarsen en olielampen. Je ruikt de geur van wierook. De priesters die aan de altaren de mis opdragen zijn gekleed in schitterende gewaden met kleurrijk borduurwerk. Het gebed en gezang is in het Latijn en niet in het Nederlands. Het zonlicht schijnt zacht door de gebrandschilderde ramen naar binnen. Dit alles geeft de kerk een mystieke uitstraling. De geur is niet altijd prettig, want in de kerk worden ook overledenen begraven. Je moet dan wel zo rijk zijn dat je een graf kunt kopen. Het branden van wierook is bedoeld als offer voor God, maar dient ook om akelige luchten van overledenen of van bedelaars in de kerk te bedekken.
Gilden en broederschappen
De vele altaren in de kerk zijn opgericht door de gilden en broederschappen in Gouda. Een gilde is een beroepsvereniging. De leden maken afspraken over de kwaliteit en de prijzen van het product dat gemaakt of geleverd wordt. Tevens wordt aan leerlingen het vak geleerd. Zo heb je in Gouda het gilde van de kramers en kooplieden, van bakkers, speldenmakers, timmerlieden en brouwers, van schippers en nog veel meer. Allemaal hebben ze een altaar in de kerk voor hun eigen patroonheilige. Bij de timmerlieden is dit bijvoorbeeld Sint Jozef, omdat de heilige Jozef zelf een timmerman was. Aan het altaar wordt iedere dag de mis opgedragen en het gilde bewaart er zijn belangrijkste documenten. De leden van het gilde houden gezamenlijke maaltijden, vieren jaarlijks het feest van hun patroonheilige en lopen mee in de verschillende processies die gehouden worden in Gouda. Een andere belangrijke taak is het regelen van de begrafenis van een gildebroeder of van zijn familieleden en het bidden voor de zielenheil van de overledenen uit het gilde. Broederschappen zijn geen vakverenigingen maar religieuze lekenverenigingen. Vaak hebben de leden wel dezelfde maatschappelijke status. Naast het onderhouden van hun altaar doen ze aan goede werken en liefdadigheid.
Processie en bedevaart
Tijdens bepaalde jaarfeesten, zoals de Sint-Jansdag (24 juni), Sacramentsdag (de tweede donderdag na Pinksteren) of Palmzondag (de zondag vóór Pasen) wordt de feestvreugde vergroot door het houden van een processie of een ommegang. De hele Goudse samenleving loopt mee in de stoet: het stadsbestuur en de schutterij, de leerlingen van de parochieschool, de geestelijkheid, de gilden en de broederschappen. Er worden heiligenbeelden, kruisen, brandende toortsen en wierook meegedragen. Voorop loopt de schout met de veroordeelden die voor straf in de processie moeten meelopen, soms met een steen om hun nek. Achteraan komen een aantal wagens waarop de leden van een gilde toneelstukjes opvoeren voor de mensen die langs de weg staan te kijken. Rondom de stoet treden muzikanten op met een fluit of lier, en is er van alles te beleven om de feestvreugde te verhogen. Een processie kan ook gehouden worden als er nood is, bijvoorbeeld bij een belegering van de stad, na een stadsbrand of tijdens een epidemie van een besmettelijke ziekte als de pest. Dan is de stemming ingetogen en wordt er hardop gebeden om de genade van God. Op bedevaart gaan is een andere manier om de genade van God te verkrijgen voor je eigen zielenheil. Je trekt te voet met ransel en staf naar een heilige plaats in de Nederlanden, in Europa of soms helemaal naar Jeruzalem. Bij vertrek worden je ransel en staf gezegend op het altaar in de kerk voor een behouden tocht. Als je het doel van je pelgrimstocht hebt bereikt, krijg je een lakstempel in je pelgrimspas mee als bewijs en speld je insignes of pelgrimstekens op je kleding of hoed. Een bedevaart kan ook als straf opgelegd worden aan een misdadiger. Heel handig omdat de stad dan een lange tijd verlost is van die persoon, als hij of zij het al overleeft. Want zo’n bedevaart is niet zonder gevaar. Onderweg kun je overvallen worden door rovers, ziek worden of gewond raken. Als pelgrim krijg je wel gratis onderdak bij kloosters of gasthuizen. Als je geld hebt, dan kan je ervoor kiezen om een deel van de route per boot of wagen af te leggen, en slaap je in herbergen of logementen.