Het Rampjaar

Gouda aan de Oude Hollandse Waterlinie

Het jaar 1672 staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als het Rampjaar. Ons land wordt aangevallen door Frankrijk, Münster en Keulen en tot verbazing van velen verklaart ook Engeland de oorlog. De provincie Holland probeert zichzelf te beschermen tegen de oprukkende Fransen door een lange strook land onder water te zetten: de waterlinie. Voor het vlak achter deze waterlinie gelegen Gouda breekt een bijzonder roerige periode aan. De stad werkt niet altijd even goed mee.

Gouda ligt dwars
Het Franse leger van Lodewijk XIV ontmoet in 1672 weinig tegenstand en rukt in een paar maanden op tot aan de grens van de provincie Holland. Als noodgreep besluiten de Hollanders het polderland tussen Muiden in het noorden en Heusden in het zuiden onder water te zetten. Zo hopen ze de Franse opmars tot staan te brengen.

Ook tussen de Hollandsche IJssel en de Oude Rijn moet het land onder water worden gezet. Er zijn twee  mogelijkheden: tussen de kanalen Enkele en Dubbele Wiericke of langs de Gouwe. De tweede mogelijkheid sluit beter aan bij de rest van de linie. Maar Gouda is hier tegen  omdat de bestuurders bang zijn voor wateroverlast. Ook hopen ze, dat als ze weigeren, ze veiligheidsgaranties kunnen krijgen in de vorm van extra troepen en nieuwe forten.

Door de ernst van de situatie  is onmiddellijke actie nodig. De legerleiding zet op 18 juni het land tussen de Wiericken onder water. De strook land tussen Hekendorp en Nieuwerbrug is het smalste deel van de waterlinie, slechts enkele honderden meters breed.  Het is niet zeker of dit de Franse aanval kan tegenhouden.  Daarom wordt voorgesteld om ook het Land van Stein, net ten oosten van Gouda, onder water te zetten. Het Goudse stadsbestuur is hier nog steeds tegen.

Goudse sluizen
Ondertussen wordt er flinke druk op Gouda uitgeoefend om de sluizen in de stad te openen. Het extra water dat zo de Gouwe in stroomt, is nodig voor verderop gelegen delen van de waterlinie. De Staten van Holland en de legerleiding sturen bijna dagelijks brieven waarin Gouda wordt opgeroepen mee te werken. Uiteindelijk geeft de stad op 20 juni toe en worden de sluizen opengezet. De stad krijg geen extra militairen en ook de bouw van forten blijkt op korte termijn niet haalbaar. Wel krijgt de stad garanties dat het land dat direct aan het Goudse grondgebied grenst, niet onder water gezet wordt.

Onrust en een gijzeling
Ondertussen probeert het stadsbestuur binnen de stadsmuren zo goed mogelijk de rust te bewaren. In veel Hollandse steden zijn er protesten tegen de regenten, die verantwoordelijk worden gehouden voor de  moeilijke situatie. Het Goudse stadsbestuur zoekt daarom steun bij prins Willem III van Oranje. Ze nodigen hem uit in de stad en hopen dat de prins de burgers vertelt dat hij hen steunt. In ruil daarvoor zal Gouda de benoeming van de prins tot stadhouder van Holland steunen. Als Willem III op 30 juni een bezoek aan Gouda brengt, zegt hij dat hij het met het stadsbestuur eens is.

Ruim twee weken na het prinselijk bezoek komen mannen uit dorpen langs de Gouwe de stad in omdat ze last hebben van het hoge water. Na een gesprek met het stadsbestuur vertrekken zij weer. Tot ieders verbazing komt er later die dag een grote groep gewapende mannen uit dezelfde dorpen. Ze eisen dat de sluizen permanent worden gesloten. De mannen bezetten het stadhuis en sturen een afvaardiging naar prins Willem III. Maar de prins staat niet aan hun kant. De prins en zijn militaire staf weten dat de waterlinie noodzakelijk is voor de verdediging. Na dreigende taal van Willem III – hij dreigt zelfs met executies van saboteurs – druipen de opstandige dorpelingen een dag later af.

Een Franse aanval
Als in december 1672 de waterlinie bevriest, neemt het gevaar voor een Franse aanval toe omdat het leger over het ijs kan lopen. Het stadsbestuur is bang dat de Fransen geen forten zullen aanvallen, maar ‘recht op ter Gouda marcheeren’ (direct naar Gouda zullen komen). Om de stad op een aanval voor te bereiden komt veldmaarschalk Paulus Wirtz naar Gouda. Eindelijk krijgt de stad de militairen waar het al een half jaar om vraagt. Eind 1672 zijn er wel 3600 militairen in de stad. Dat is een enorme groep in een stad waar zo’n 12.000 mensen wonen. De militairen worden noodgedwongen bij mensen in huis geplaatst. De stad is overvol. Dit is waarschijnlijk de reden dat er in deze periode besmettelijke ziektes uitbreken en er opvallend veel mensen overlijden, met name in het Catharina Gasthuis.

Een directe aanval op Gouda komt er uiteindelijk niet. Een Franse poging over de bevroren waterlinie te komen mislukt en eindigt met de plundering van Zwammerdam en Bodengraven. De laatste verdedigers vertrekken in september 1673 uit Gouda. De oorlog is dan bijna voorbij. De Fransen trekken zich in november terug en in december besluit Holland om de waterlinie droog te malen. Er wordt afgesproken om bij een volgende inzet van de Hollandse Waterlinie ook Woerden en Oudewater te verdedigen. Gouda heeft daarmee geen rol meer in de waterlinie.