Turf

Turf is van oudsher de belangrijkste brandstof in onze streken, zowel voor huishoudens als voor ambachtslieden. Vanaf het ontstaan van Gouda wordt er turf verhandeld tot ver buiten Holland. In de zestiende eeuw groeit de Goudse turfmarkt uit tot de grootste van Holland en Zeeland. In 1580 verhuist de turfhandel naar de Turfsingel. Op dat moment zijn ruim 500 Goudse schippers van de turfvaart afhankelijk.

Het gebruik van turf
Grote delen van het Hollandse en Utrechtse land zijn in eerdere millennia bedekt geraakt met dikke lagen plantaardig materiaal. In de loop der tijd is dit materiaal door micro-organismen verteerd tot veen. Turf is gedroogd veen en aangezien Gouda midden in een enorm veengebied ligt, heeft het een erg gunstige ligging voor de turfwinning. Vooral het veen ten westen van de stad levert hoogwaardige turf op. Deze turf wordt al in de dertiende eeuw verhandeld in Gouda. Huishoudens gebruiken het voor het stoken van kachels en om te koken. Maar ook typisch Goudse industrieën, zoals de bierbrouwerijen, de pijpenbakkerijen en de aardewerkindustrie, maken intensief gebruik van turf. Ze verhitten er hun ovens en ketels mee.

Turfwinning
Oorspronkelijk berust de turfwinning op het zogenoemde ‘turfsteken’. Hierbij worden droge stukken veen uitgestoken tot het grondwaterniveau is bereikt. Omdat de geschikte veengrond afneemt en het grondwaterpeil stijgt, neemt de Hollandse turfvoorraad rond 1500 af. Nieuwe technieken bieden uitkomst. Vanaf 1530 gaat men over op natte turfwinning met de baggerbeugel, dit wordt ‘slagturven’ genoemd. Hierbij baggeren baggeraars of veenmannen het veen uit tot wel vier meter onder water. Dit ‘slijk’ wordt op legakkers geplaatst om te drogen. Vervolgens snijdt men het tot baksteengrote turven. Na verdere droging varen de veenmannen de turven voor opslag naar de turfschuren. Het slagturven is seizoensgebonden en vindt plaats tussen half maart en Sint-Jacobsdag (25 juli). Het werk loopt met drogen, opslag en vervoer echter nog maanden door.

Handel in turf
De haven van Gouda met zijn centrale positie in de Hollandse binnenvaart en verbindingen met de kustvaart naar Vlaanderen-en-nog-verder, is ideaal voor de export van turf. Naarmate de bevolking in stad en land toeneemt, stijgt de vraag naar turf in de Lage Landen. Dankzij het slagturven is het mogelijk de productie van turf flink te verhogen. Het belang van de turfhandel wordt hierdoor in de zestiende eeuw alsmaar groter voor Gouda. Gouda wordt Hollands grootste turfmarkt en overslaghaven, goed voor bijna de helft van de export naar de Zuidelijke Nederlanden. Honderden miljoenen tonnen turf zijn hier tussen de dertiende en de twintigste eeuw verscheept. Het aantal Gouwenaren onder de turfschippers loopt snel op en rond 1580 zijn al ruim vijfhonderd schippers van de turfvaart afhankelijk. Ze varen vaak op vaste trajecten naar Zeeland, Brabant en Vlaanderen en vervoeren naast turf ook wel passagiers. De turfhandel vindt aanvankelijk plaats vanaf de Turfmarkt, een zijhaventje van de Binnengouwe. In 1580 wordt deze verplaatst naar de Turfsingel, aan de rand van de stad.

Gevolgen van de turfwinning
Door het uitgraven van de grond beneden grondwaterniveau ontstaat open water met de landstroken (legakkers) ertussen. Wind en water slaan die legakkers vaak weg zodat meertjes ontstaan, die soms tot problematische grootte groeien. Een goed voorbeeld daarvan is de enorme Zuidplas in Schieland ten westen van Gouda, die uiteindelijk pas in de negentiende eeuw met grote moeite weer drooggelegd en ingepolderd is. Ook de Reeuwijkse plassen zijn een gevolg van de intensieve turfwinning. Hoewel deze plassen niet bedreigend zijn voor de omgeving, wil men ze eind negentiende eeuw om economische redenen droogleggen. Rond 1930 ontstaat een krachtige tegenbeweging. Onder leiding van de Goudse bioloog A. Scheygrond overwint liefde voor de natuur en blijven de plassen behouden. Zij houden hiermee de herinnering aan de Goudse turfhandel levend.