De Goudse glazen

1552 is een rampjaar voor Gouda! Tijdens een donderbui slaat de bliksem in de torenspits van de Sint-Janskerk en vliegt de toren in brand. Terwijl de stadsbewoners er alles aan doen om de brand te bestrijden, zorgt het instorten van de toren ervoor dat het vuur zich razendsnel via het dak van de kerk verder verspreidt. Een ravage blijft achter. De kerk is een ruïne en de hele inventaris, waaronder vele geschilderde altaarstukken en de prachtige gebrandschilderde ramen, gaan verloren. Maar de kerkmeesters zitten niet bij de pakken neer. Al negen maanden na de brand wordt de eerste mis opgedragen in het koor (dat is het gedeelte waar het hoofdaltaar staat), dat weer wind- en waterdicht is gemaakt. Snel daarna gaan de kerkmeesters er op uit voor een andere belangrijke opdracht: het vervangen van de kerkinventaris, waaronder de gebrandschilderde ramen. Eerst wordt het kerkkoor voorzien van nieuwe glas in lood ramen (glazen.)Als in 1572 de kerk overgaat in Protestantse handen is dat niet het einde van de beglazingscampagne. Integendeel.

Glazen van het koor en het dwarsschip
In 1553 vertrekt een hoge Goudse delegatie naar de bisschopsstad Utrecht: een burgemeester, een bode, een rentmeester en een glasschilder. Zij bezoeken daar Herman Lethmaet (1492-1555), een uit Gouda afkomstige hooggeplaatste geestelijke, die een belangrijke rol zal gaan spelen in de campagne voor nieuwe glazen in de Sint-Janskerk. Maar liefst vijf glazen in het koor worden door een bijdrage van Utrechtse geestelijken gerealiseerd.

In de glazen van het koor staan het leven van Jezus en het leven van Johannes de Doper centraal. Afwisselend worden in de glazen belangrijke gebeurtenissen uit hun leven verteld. De verhalen over Johannes passen goed bij de kerk die immers naar hem genoemd is. Sint Jan. Johannes’ leven is onlosmakelijk verbonden met dat van Jezus. Johannes vertelde de mensen over zijn komst en doopte hem in de Jordaan. In de drie glazen aan de oostkant van de kerk is dat prachtig te zien; links preekt Johannes in de woestijn, in het midden is de doop en rechts zien we Jezus die tegen een menigte praat. 

Dwarsschip
De beglazingscampagne van het middenschip (de centrale kerkruimte) vindt plaats in de periode 1552 – 1604. De landsheer, koning Filips II en de landvoogdes Margaretha van Parma schenken beiden een glas voor de hoogste ramen van de kerk. Niet lang daarna verandert er zeer veel op politiek en kerkelijk gebied. De Nederlanden maken zich in de Opstand (de ‘tachtigjarige oorlog’) los van het bewind van de Spaanse koning en worden een zelfstandige staat. 

Ook Willem van Oranje, die de grote tegenspeler van de koning zal worden, schenkt een glas aan de Sint-Jan. Wanneer de kerk tijdens de Opstand overgaat naar de Protestanten, zetten die de beglazing van de kerk op hun eigen manier door. Zo zien we aan de oostkant van de kerk vooral glazen die zijn geschonken door hoge katholieke adel en geestelijken. De glazen aan de westkant, uit de Protestantse tijd, hebben andere opdrachtgevers. Zes vooraanstaande steden geven een glas aan de kerk en laten in het glas zien waar zij als stad voor willen staan.

Afloop van de beglazingscampagne
In 1604 wordt voorlopig het laatste glas opgeleverd, waarin het voor Nederland grote historische moment van het Ontzet van Leiden is afgebeeld: een geschenk van de stad Delft. Pas in de twintigste eeuw worden er nieuwe glazen toegevoegd. Na een intensieve restauratie aan het begin van die eeuw komen er twee glazen bij waarin de financiers hiervan een plaats krijgen. Ook wordt er na de Tweede Wereldoorlog een herdenkingsraam geplaatst. In 2017 wordt een glas geplaatst als eerbetoon aan de aan Gouda verbonden humanist Erasmus.

Bouwgeschiedenis van de kerk 
Met zijn 123 meter lengte is de Sint-Janskerk de langste kerk van Nederland. Zoals veel kerken begint de kerk klein en wordt in de loop der tijd verder uitgebreid. In de dertiende eeuw wordt ongeveer op de huidige plek van de winkel een kapel van 14 bij 30 meter gebouwd, om als hofkapel te dienen voor de heren van der Goude. Deze kapel wordt veranderd rond 1278 in een kleine parochiekerk voor de bevolking van Gouda. Met de groei van de stad wordt ook het gebouw vergroot.  De kapel wordt eerst verbreed met twee zogenaamde zijbeuken en rond 1350 wordt de toren gebouwd. In de vijftiende eeuw, een periode waarin Gouda economisch floreert door de in de stad aanwezige bierbrouwerijen, wordt de kerk nog eens vergroot. Het middenschip wordt vanaf 1475 met extra zijbeuken verbreed en vanaf 1485 wordt een nieuw koor aan het bestaande gebouw toegevoegd; de kooromgang en een lichtbeuk zorgen daarbij voor de nodige allure. De driebeukige hallenkerk groeit zo uit tot de huidige indrukwekkende vijfbeukige kerk. Na de voltooiing van het koor worden de buitenste zijbeuken verbouwd met een ingenieuze ingreep: elke tweede zuil komt te vervallen en de huidige hoge brede vensters worden geplaatst. Na de brand in 1552 besluiten de kerkmeesters om ook meer licht en openheid te creëren in het middendeel. Er komen grotere ramen boven in het middenschip, en ook in het schip worden om en om zuilen verwijderd. Het zorgt voor een unieke ruimtelijke opzet, die de bezoeker van toen, net als de bezoeker van nu, een prachtige blik op de beroemde gebrandschilderde ramen biedt.