Plaats van het stadhuis
Het marktplein van Gouda heeft een ongewone vorm, als een taartpunt. Dat is het resultaat van vroegere landontginningen. De hoofdstraten Lange Tiendeweg en Kleiweg komen in een scherpe hoek bij elkaar. Die driehoekige plek gebruiken de burgers om puin en ander afval te storten, waardoor het geleidelijk wat hoger komt te liggen en ook minder drassig is. In 1395 geeft stadsheer graaf Guy van Blois toestemming voor de bouw van een nieuw, groot bestuurlijk gebouw: het stadhuis. Dat moet dan wel midden op het marktveld komen, zodat het minder vatbaar voor brand is. De plannenmakerij voor het stadhuis gaat traag! Pas na de tweede grote standsbrand van 1438 komt er schot in. Het marktveld wordt geëgaliseerd. In het midden komt een enorm rooster van beuken balken te liggen, als fundering. De voorgevel van het nieuwe stadhuis komt zó te staan, dat mensen die van de haven of de Gouwe komen, de mooiste aanblik hebben. Tegenwoordig komen de meeste bezoekers vanuit de andere kant de stad binnen en zien als eerste de achterkant van het stadhuis! In 1448 kan de bouw beginnen.
Bouw
Het is onbekend wie van de Commissie van Fabricage (de bouwcommissie) de hoofdontwerper van het gebouw is. Wel weten we dat de ingehuurde steenhouwer Steven van Afflighem de gevels ontwerpt. Hij laat daarvoor witte Gobertange-steen uit Brabant komen. De stenen zijn in de groeve al voorbewerkt en hoeven alleen nog maar pas gemaakt te worden. Zelf hakt hij enkele natuurstenen kozijnen. Een andere betrokken steenhouwer, Jan Keldermans, maakt deel uit van een belangrijke Vlaamse steenhouwers- en architectenfamilie. Hij brengt een jong familielid mee, misschien zijn zoon, als leerling. Ook steenhouwer Lodewijck Willemsz wordt ingehuurd. En zij zijn niet de enigen. Uit stadsrekeningen blijkt dat ruim honderd vaklieden aan het grote project meewerken, deels afkomstig uit Gouda zelf, maar ook uit Duitsland en Vlaanderen. Sommige Gouwenaren werken zelfs vrijwillig, zonder betaling, mee aan de bouw van hun stadhuis De bouw verloopt vlot: al na twee jaar wordt het stadhuis in gebruik genomen en na negen jaar, als het windvaantje geplaatst wordt, is alles klaar. Het ziet er aan de buitenkant grotendeels uit zoals wij het nu kennen.
Bestuurlijk centrum van de stad
Het stadhuis is het bestuurlijke centrum van de stad. De toegang is via een grote trap aan de voorgevel. De huidige trap met bordes zijn later aangebracht. De trap leidt naar de hoofdverdieping, de bel-etage, die dus een paar meter hoger ligt dan het niveau van het plein. Hier is het ruime wachtlokaal van de stadswacht. In een hoek is het kamertje van de wachtofficier. In de ruimte daarachter, de middelkamer, vergadert de vroedschap (gemeenteraad). Soms fungeert deze zaal ook als rechtbank. Het vonnis wordt voorgelezen in het wachtlokaal, zodat iedereen het kan horen. De achterste zaal is voor de twee burgemeesters en de zeven schepenen (wethouders). In 1475 wordt die zaal in tweeën gedeeld. De linkerkamer wordt bestemd voor de schepenen en de rechterkamer voor de inmiddels vier burgemeesters.
Een spiltrap in het wachtlokaal leidt naar de bovenverdieping. Aan de voorkant daarvan verblijft de stadsbode. Hij is naast conciërge ook ceremoniemeester en stadsomroeper. Er is ook een gijzelkamer, waar wanbetalers opgesloten worden totdat familie hun schulden aflost. De rest van de bovenverdieping is voor de gemeentelijke administratie. Via een ladder komt men op de zolders.
De ruimte onder de bel-etage bereikt men via een toegangspoortje. Het voorste deel dient als opslagruimte, het achterste deel is bestemd als vleeshal. Hier wordt het vlees, een kostbaar en bederfelijk product, gekeurd en verkocht. Men kan de vleeshal ook bereiken via een ingang aan de zijgevel.
Rechtspraak
Als de stadsomroeper luid roept “De vierschaar wordt gespannen!”, komen de verschillende partijen in de middelste kamer van de bel-etage bijeen. Eén partij wordt gevormd door de schout die voorzitter is en ervoor zorgt dat alles eerlijk en ordelijk verloopt. De andere partijen zijn de eiser, de gedaagde en de schepenen. Deze laatsten zijn nu in functie als rechters, dus letterlijk als wet-houders. Tussen deze partijen en het publiek staat een hek. Het publiek mag toekijken, maar moet zich onthouden van commentaar, behalve als schepenen daarom vragen. Bij ordeverstoringen grijpen de schout en zijn mannen (de rakkers) in. Voor een licht vergrijp wordt de veroordeelde ‘aan de kaak gesteld’: hij of zij wordt op het balkonnetje aan de zijkant van het stadhuis te kijk gezet met een zware steen om de nek. Die steen is nog steeds te zien in Museum Gouda.