Het eerste Goudse bier
De eerste vijftig jaar nadat Gouda stadsrechten kreeg (dat was in 1272), wordt het Goudse bier vooral in eigen stad gedronken. De brouwers hebben weinig reden om meer te brouwen dan hun stadsgenoten kunnen drinken. Het bier is beperkt houdbaar en krijgt na twee weken een onaangename, zure smaak. Dit verandert wanneer brouwers het gebruik van hop ontdekken. Aanvankelijk boeken vooral brouwers uit de Noord-Duitse Hanzesteden hier successen mee. Een groot deel van het Duitse hopbier wordt zelfs over het water naar het dichtbevolkte en welvarende Vlaanderen vervoerd. Dat zien de Gouwenaars ook, de bierschepen varen namelijk dwars door hun stad.
Gouds kuitbier
De doorbraak van het Goudse bier komt in het tweede kwart van de vijftiende eeuw. De Goudse brouwers gaan zich dan toeleggen op het brouwen van een nieuw soort hopbier. Dit is het zogeheten kuitbier, een bier dat lichter van kleur en frisser van smaak is dan het gebruikelijke hopbier. Ook het brouwproces is anders. Het Goudse kuitbier bevat minder graan en heeft een kortere kooktijd. Hierdoor kan bespaard worden op zowel de grond- als brandstoffen. Het resultaat is een bier dat zowel geliefd is vanwege de smaak als vanwege de lagere prijs.
De afnemers
De oudste vermelding van het Goudse kuitbier buiten de eigen stad komt uit 1432. Het bier wordt genoemd in een document in Lier, een stad ten zuidwesten van Antwerpen. Dat is niet vreemd, het Goudse kuitbier is goedkoper dan de andere importbieren en smaakt beter dan de lokale biersoorten in de Vlaamse en Brabantse steden. Door de lagere prijs is het Goudse kuitbier ook betaalbaar voor gezinnen met een laag inkomen. Het Goudse bier wint snel aan populariteit. In 1440 is Gouda uitgegroeid tot de grootste bierproducent van Holland en tien jaar later is de stad ook de Noord-Duitse steden voorbijgestreefd. Tot 1520 blijft Gouda de grootste bierproducent van Europa, met een productie die oploopt tot wel 50 miljoen liter bier per jaar.
Werkgelegenheid
De bierindustrie is voor veel Gouwenaars een inkomstenbron. Allereerst natuurlijk voor alle brouwers. Op het hoogtepunt zijn dit er maar liefst 200, vaak met één of twee knechten in dienst. Buiten de muren van de brouwerijen zijn nog veel meer arbeiders nodig. Zo’n honderd zakkendragers bezorgen de grond- en brandstoffen bij de brouwers. Molenaars malen de brouwgranen, koperslagers maken de brouwketels en kuipers de houten biervaten. En natuurlijk zijn ook voor het transport en het onderhoud aan de bierschepen veel arbeidskrachten nodig, want 90% van de vaten worden over het water naar andere steden vervoerd.
De neergang
Na 1520 gaat het steeds slechter met het Goudse bier. De stad weet geen antwoord op de toegenomen concurrentie uit andere steden, die door schaalvergroting en moderne brouwprocessen nieuwe biersoorten weten te produceren. Het uitbreken van de opstand tegen de Spaanse overheersing en de Tachtigjarige Oorlog die daarop volgt brengt de volgende klap, doordat de handel met Vlaanderen praktisch tot stilstand komt. De opkomst van moderne fabrieksbrouwerijen en hun pilsenerbier geeft begin 20e eeuw de laatste Goudse brouwerij de nekslag.
In de huidige tijd zien we een voorzichtig herstel van het Goudse bier. Meerdere brouwers openen de deuren, pionieren met nieuwe biersoorten en brengen ook het Goudse kuitbier weer op de markt.