Kloosters

In 1386 sticht Machtelt Cosijns een huis voor De zusters des gemenen levens aan de Spieringstraat. Het is de eerste leefgemeenschap voor leken in Gouda die zich na enige tijd tot een klooster ontwikkelt, het Sint-Margarethaklooster. Ruim een eeuw later zijn er elf kloosters in Gouda, zes voor vrouwen, vier voor mannen en één dubbelklooster.

Vroege kloosters
De stichting van Cosijns is één van de vele in de Lage Landen eind veertiende eeuw. Ze ontstaan door een hervormingsbeweging binnen de Rooms-Katholieke kerk, de moderne devotie. Rond 1400 zijn er al drie zusterhuizen en drie broederhuizen in Gouda. De leken wonen gezamenlijk in één huis en zijn niet gehuwd. Het leven in de huizen is heel sober en vroom, er wordt veel gebeden. De bewoners werken niet voor persoonlijk loon of inkomsten en hebben geen bezit. Soms moeten ze zelfs bedelen voor hun onderhoud. Naast het bidden, zorgen de broeders en zusters voor armen en zieken in de stad. Deze vorm van naastenliefde is een belangrijk onderdeel van het katholieke geloof. Vijf huizen nemen naar verloop van tijd een kloosterregel aan. De zusters van het Margarethaklooster sluiten zich aan bij de reguliere kanunniken van Sion die leven volgens de regel van Augustinus. Eén huis blijft langdurig een lekengemeenschap. Het zijn de broeders van het huis van de ‘lollaerds’ aan de Groeneweg, beter bekend als de Cellebroeders. Zij verzorgen de zieken die de pest hebben en begraven de gestorven pestlijders. Belangrijk werk, wat verder niemand in de stad wil doen, omdat je het risico loopt zelf besmet te raken met de ziekte. In deze periode telt Gouda totaal zeven kloosters: het Sint-Margarethaklooster, het Sint-Catharinaklooster, het Mariaklooster, het Collatiehuis, het Cellebroederklooster, het Emmaüsklooster in Stein en het Minderbroederklooster. De minderbroeders zijn volgelingen van de Heilige Franciscus van Assisi en komen niet voort uit de moderne devotie.

Leven in afzondering
De kloosterlingen wijden hun leven aan God en aan het bidden voor de naasten. Ze bidden zeven keer per dag een gezongen gebed, de getijden. Daarnaast vieren ze iedere dag de heilige mis. Om dit goed te kunnen doen leven de kloosterlingen in afzondering van de wereld. Ze komen niet of nauwelijks buiten de muren van hun klooster. Zo worden de zusters en broeders, ook wel nonnen of monniken genoemd, niet afgeleid door allerlei beslommeringen van het dagelijkse leven. Na een proefperiode leggen ze drie geloften af: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. De kloosterlingen moeten beloven dat zij geen eigen bezit hebben, geen seksuele omgang hebben met anderen en dat ze gehoorzaam zullen zijn aan de regels van het klooster. 

Bestaansmiddelen
De inkomsten van een klooster zijn altijd bestemd voor de gemeenschap als geheel, niet voor de individuele kloosterling. Vooral de vrouwenkloosters ontvangen veel giften en erfenissen. Een aantal nonnen in Goudse kloosters zijn dochters uit rijke of adellijke families. Bij hun intrede schenken ze het klooster hun erfdeel van de familie waar ze toe behoren. Sommige kloosters worden hier heel rijk van. Ze kopen van het geld huizen en grond, ook buiten de stadsmuren. Dit onroerend goed wordt verhuurd of verpacht en brengt daardoor nog meer geld op. Zo groeien de kloosters uit tot grote complexen met een eigen kapel, een bakkerij, een brouwerij, stallen met vee, moestuinen en boomgaarden. En kunnen ze in hun eigen onderhoud voorzien. Andere middelen van bestaan zijn het weven van stoffen, het maken van houtsneden voor bidprentjes, en het (over)schrijven of drukken van boeken. De kloosterlingen zijn vaak geschoold, ze kunnen lezen, schrijven, en beheersen de Latijnse taal. De kloosters die leven volgens de regel van Sint Franciscus, de minderbroeders aan de Vijverstraat en de clarissen aan de Nieuwehaven, mogen geen inkomsten en bezit hebben. Ze kunnen alleen bestaan met financiële steun van het Goudse stadsbestuur, dat graag de vrome en geleerde franciscanen binnen haar muren wil hebben. De bouw van hun kloosters en hun dagelijkse onderhoud wordt door de stad en door schenkingen betaald. In ruil daarvoor helpen de minderbroeders de priesters van de Sint-Janskerk met het lezen van missen, met preken en het bedienen van de sacramenten. Andere franciscanen adviseren het stadsbestuur of vertegenwoordigen de stad tijdens diplomatieke of handelsmissies.

Nieuwe kloosters
Vanaf de jaren 1420 komt Gouda politiek in zwaar weer. De oorzaak is het lang slepende conflict tussen Jacoba van Beieren, gravin van Holland en de hertog van Bourgondië Filips de Goede. Het Goudse stadsbestuur staat aan de kant van Jacoba. De kloosterordes van de moderne devotie in de Nederlanden kiezen echter de kant van Filips. Veel Goudse kloosters zien daardoor hun inkomsten drastisch teruglopen. De crisis wordt nog erger na een verwoestende stadsbrand in 1438. Enige tijd daarna herstelt het kloosterleven zich weer. Er worden zelfs nieuwe kloosters gesticht zoals het Agnietenklooster, het Maria Magdalenaklooster, het Clarissenklooster en als laatste het Brigittenklooster. Gouda heeft rond 1500 elf kloosters binnen haar muren, wat passend is voor een Hollandse stad van die omvang. Maar er wordt ook geklaagd over de vele kloosters. Ze worden namelijk steeds rijker terwijl ze geen belasting hoeven te betalen aan de stad. Daarnaast hebben ze een groot gedeelte van de grond binnen de stadsmuren in bezit. Ruimte die de stad nodig heeft voor haar groeiende inwoneraantal en voor nieuwe ondernemers.

Reformatie
Rond 1500 zijn er ruim 500 kloosterlingen in Gouda, maar bij het uitbreken van de Tachtigjarige oorlog (1568) zijn dat er nog ongeveer 280. In de loop van de 16de eeuw verandert de positie van de katholieke kerk in de samenleving. Er komt steeds meer kritiek op de rijkdom van de kerk en op het leven in de kloosters; op de heiligenverering en het bijgeloof. Een groeiende groep mensen vindt dat je, om goed gelovig te zijn, zelf dagelijks in de bijbel moet lezen en veel moet bidden. In de tweede helft van de zestiende eeuw wint deze nieuwe protestante overtuiging steeds meer terrein. Als in 1572 de protestante geuzen onder leiding van prins Willem van Oranje het bestuur van Gouda overnemen is het over met de katholieke kerk. Na gewelddadigheden vluchten veel priesters en monniken uit de stad. Zusters of nonnen mogen in Gouda blijven wonen. Al worden hun kloosters gesloten en eigendom van de stad. Met het Margarethaklooster loopt het minder goed af. Op een avond wordt het klooster overvallen door twee geuzen. Ze zijn gewelddadig tegen een non en ze steken het gebouw in brand. Pas in de 17de eeuw wordt het voormalige klooster weer opgeknapt en krijgt het een nieuwe bestemming als weeshuis van Gouda.