Gouda breidt uit

In de eeuw na het graven van de haven neemt de scheepvaart door de stad sterk toe. Gouda groeit hierdoor als kool. Men bouwt vele huizen en legt nieuwe straten aan. Om alle inwoners en hun eigendommen te beschermen krijgt de stad rond 1350 een stadsmuur en een stadsgracht (de huidige singels). De stadsverdediging telt daarnaast stenen poorten, muurtorens en vanaf 1361 een groot kasteel aan de IJssel. Vanaf het midden van de 14e eeuw heeft Gouda de vorm die de binnenstad nog altijd heeft.

Muurrecht 
Het meest kenmerkende recht van een stad is het recht om zich van het omringende land af te scheiden met grachten en wallen. “Stadslucht maakt vrij” zegt de middeleeuwse burger. Op het platteland komt in de dertiende eeuw, als de meeste Hollandse steden ontstaan, nog horigheid en lijfeigenschap voor. Dat zijn vormen van slavernij. Maar als een horige of lijfeigene in een stad gaat wonen, is hij vrij man. De stad maakt dus letterlijk vrij. Nog een reden om de stad van het omringende platteland af te schermen ligt in het verzamelde vermogen van de stad en haar bewoners. Het bezit van rijke burgers zoals kooplieden en bestuurders, maar ook de stadskas, kerkelijk bezit en andere zaken, zijn geliefde prooien van dieven. Ten slotte is er nog het risico van epidemieën. Naast zwervers, bedelaars en loslopende dieren brengen ook bezoekers van buiten het risico van besmettelijke ziektes mee.

De eerste aarden wal
Van de oudste omwallingen weten we weinig met zekerheid. De eerste stadsrechten hebben zeker al geleid tot het nodige graafwerk. Allereerst voor de aanleg van de haven, en later ook voor een eerste stadsgracht langs de Raam en het Nonnenwater, de Turfmarkt, de Zeugstraat en de Groeneweg. Met de vrijkomende grond worden aarden wallen opgeworpen. Op die wallen slaat men houten palissades.

Stadsuitbreiding
De Goudse economie bloeit dankzij lakennijverheid, bierbrouwerij en binnenvaart. Daardoor groeit de stad gestaag. Rond 1350 krijgt Gouda toestemming het stadsgebied uit te breiden tot aan de huidige Turfsingel, Kattensingel, Blekerssingel en Fluwelensingel. Aan de stadskant van die singels mag een nieuwe wal worden aangelegd. Nu in steen, want er is veel oorlogsdreiging, onder andere door de onophoudelijke vetes met Utrecht. Die eerste stenen stadsmuur is niet zo dik, maar wel hoog. Hij moet pijlen, slingerstenen en andere projectielen tegen kunnen houden. Buskruit kent men nog niet en de singels houden de vijand op voldoende afstand. Die vijand is zelf een makkelijk doelwit in het open veld. Aan de westzijde van de haveningang eindigt de stadsmuur in een zware toren, het Tolhuis, later uitgebreid tot het huidige complex. Aan de andere kant van de haven eindigt de muur in een grote toren: de Haventoren. De stadspoorten zijn nu massieve vierkante kolossen van baksteen, niet al te hoog vanwege de slappe bodem, en erg diep gefundeerd. Gouda telt op dat moment maar liefst negen stadspoorten.

Het kasteel
In 1361 brandt de nog grotendeels uit hout opgetrokken stad vrijwel volledig af. De stadsheer, Jan van Blois, koopt dan twee ‘verbrande erven’ aan de oever van de IJssel om er een onderkomen te bouwen voor de keren dat hij in de stad is. Bij de koop is de stadsmuur langs de IJssel tegenover het Tolhuis inbegrepen. In drie fasen verwerkt hij deze onderdelen van de stadsverdediging in een groot kasteel met zes torens zie afbeeldingen Kasteel). Het kasteel draagt bij aan de verdediging van de stad, maar moet de stad er ook voortdurend aan herinneren wie er echt de baas is. Helaas is er geen enkele betrouwbare afbeelding van het kasteel overgebleven. Alleen het stadsgezicht van Braun en Hogenberg, getekend in 1573, biedt aanknopingspunten, maar alle schilderijen en tekeningen van later datum berusten op fantasie.

Sloop kasteel
Het kasteel is erg onderhoudsgevoelig. Het is er altijd vochtig, het verzakt, heeft last van houtrot en het lekt er vaak. In 1577 laat het stadsbestuur het kasteel slopen, zogenaamd omdat men bang is dat de Spanjaarden er bezit van zullen nemen na een eventuele inname van de stad. In werkelijkheid wil men van een vervelende pottenkijker af: de graaf van Holland, stadsheer en eigenaar van het kasteel is op dat moment de gehate koning Filips II. Het stadsbestuur doet het voorkomen dat de sloop het spontane werk is van de opstandige bevolking, maar in werkelijkheid verloopt de sloop onder toezicht van de stad. Slechts één toren wordt (voorlopig) gespaard om daar archieven en belangrijke overeenkomsten in onder te brengen, de zogenoemde chartertoren.