Gouda in de twaalfde eeuw
In het midden van de twaalfde eeuw is Gouda een bescheiden nederzetting. Het bestaat uit niet veel meer dan een grote hofstede van de plaatselijke bestuurder en een aantal boerderijen, allemaal gelegen langs de Gouwe ten zuiden van de huidige Sint-Janskerk. De bestuurder is leenman van de bisschop van Utrecht. Zijn voorvaderen hebben meer dan een eeuw geleden toegezien op het ontginningswerk. Zijn naam kennen we niet, maar zijn nakomelingen kennen wij onder de naam Van der Goude. Gouda ligt in het grensgebied tussen Holland en Utrecht. Dat grensgebied schuift langzaam op naar het oosten, omdat de graaf van Holland steeds meer Utrechts gebied verovert.
Het Hof
De hofstede - het ‘Hof’- van de leenman ligt ongeveer op de plaats van het huidige Raoul Wallenbergplantsoen. Het bestaat uit zijn woning, verblijven voor het personeel en stallen, hooibergen en boomgaarden. Om het hof ligt een gracht. Van hieruit bestuurt hij het ontgonnen gebied, hij spreekt er recht en incasseert het belastinggeld. Maar hij helpt vooral zijn leenheer het gebied te verdedigen. Hij heeft een professionele wapenrusting met wambuis, helm, maliënkolder en zwaard en hij wordt bijgestaan door boeren met eenvoudige bewapening.
De motte
Er is ook een motte, een kunstmatige heuvel omgeven met palissaden (omheining van in de grond geslagen palen) en een gracht. Het beschermt de bewoners van het hof en het vee tegen overstromingen en tegen vijandige legertjes en rovers. Zo kan men een belegering uitzitten, zelfs al wordt de omgeving verwoest. Restanten van de motte en de gracht zijn nog altijd zichtbaar bij de Molenwerf.
De hofkapel
Bij het Hof hoort een houten privékapel, ter plaatse van de ingang van de huidige Sint-Janskerk. In het natte veengebied zijn regelmatig overstromingen, dus ook de kapel wordt op een kunstmatige heuvel gebouwd met een gracht eromheen, een zogenaamde kerkring. Al in de twaalfde eeuw zal de kapel zijn vervangen door een stenen gebouw. In deze periode wordt immers in onze streken de baksteen geïntroduceerd en geschikte klei is bij de Hollandsche IJssel ruimschoots voorhanden.
De voorhofstede
Ten westen van de motte en ten zuiden van de kapel wordt een voorhofstede aangelegd. Het is een grote ovale ruimte met gracht en aarden wal of palissade en een toegangspoort. Op de voorhofstede staan stallen en werkplaatsen voor ‘vreemdelingen’: rondreizende handelaren en ambachtslieden zoals smeden en pottenbakkers. Ze mogen niet op het hof zelf verblijven omdat ze ziektes bij zich kunnen dragen of slechte bedoelingen kunnen hebben. Ze overnachten op de voorhofstede in een gasthuis met een eigen kapel. Als ze ziek zijn, worden ze daar verzorgd. Aan de verzorging van zieken dankt het gasthuis zijn latere ziekenhuisfunctie. Het huidige Catharina Gasthuis (nu Museum Gouda) staat waarschijnlijk op de plek waar rond 1200 een houten gasthuisje heeft gestaan.
Tiendwegen
In de twaalfde eeuw zijn er grote overstromingen en ligt het ontginningswerk stil. Met man en macht wordt gewerkt aan dijken langs de IJssel en de Gouwe. In de dertiende eeuw wordt het ontginningswerk weer opgepakt. De bestaande ontginningssloten, die haaks op de IJssel en de Gouwe staan, worden verder doorgetrokken het achterland in. In plaats van de rivier vormen nu de achterkades van de vroegere ontginningen de ontginningsbasis. Deze kades veranderen in zogeheten tiendwegen. Zij zijn nog herkenbaar in onder andere de Voorwillenseweg, de Platteweg en de Lange Tiendeweg.
De haven en stadsrechten
In 1243, als Gouda Hollands is en niet meer Utrechts, sluit de Hollandse graaf Willem II een belangrijke overeenkomst over de vaarroute dwars door zijn graafschap. De Goudse stadsheer is daar als getuige bij aanwezig en garandeert samen met andere edelen vrije doorvaart voor, en bescherming van de handelsgoederen van de Hanzeschepen. Gouda legt een haven aan, dwars door de voorhofstede heen. Die haven stimuleert de economie van Gouda, dat vrijwel zeker dan al bepaalde stadsrechten heeft, net als Haarlem en Delft. Stadsrechten zijn meerdere rechten en vrijheden die de leenheer aan burgers verleent, meestal tegen betaling. Deze rechten zijn bijvoorbeeld het recht om tol te heffen (tolrecht), vrijstelling van tolbetaling, marktrecht en het recht om als enige bepaalde goederen op te slaan en verder te verkopen (stapelrecht). Het zijn vooral rechten die met de economie van de burgers te maken hebben.
Hernieuwde stadsrechten
De stad Gouda mag zich omringen met een stadsgracht, wallen en poorten. Het water van de Zeugstraat, de Turfmarkt en de nu gedempte Raam zijn resten van die eerste stadsgracht. De stad groeit explosief en de hofkapel wordt een echte parochiekerk. In 1272 geeft graaf Floris V de stad nieuwe, uitgebreidere stadsrechten (zie afbeelding Floris V). Een stad is erg zuinig op die stadsrechten. Maar door stadsbranden of ander onheil kan de oorkonde waarin deze zijn vastgelegd, verloren gaan. Hiermee zouden ook de rechten van Gouda verloren gaan. Maar gelukkig verklaart de bisschop van Utrecht in 1335 dat hij de akte uit 1272 heeft gezien, een tekst die hij ook letterlijk herhaalt en die daardoor dezelfde rechtskracht heeft als het origineel. Zo'n kopie wordt een vidimus genoemd. Dat is Latijn voor: we hebben het gezien.