Ontginning
Vanaf het jaar 1000 brengen de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht het veenwoud in cultuur, dat wil zeggen dat het land bruikbaar wordt gemaakt voor landbouw. De Gouwe vormt lange tijd min of meer de grens tussen Holland en Utrecht. Graven en bisschoppen verlenen tussenpersonen toestemming om grote blokken terrein ter ontginning uit te geven aan ‘kolonisten’. Deze ontginners komen waarschijnlijk vooral uit de directe omgeving (zie afbeelding Namenlijst van vroege ontginners). Zij zijn mogelijk horigen – onvrije boeren die een stuk land bewerken dat ze niet mogen verlaten – die met dit werk de status van vrij man kunnen verwerven. Afspraken over de ontginning legt men vast in een contract, de zogenaamde ‘cope’. Plaatsnamen als Nieuwkoop, Boskoop en Coenecoop herinneren daaraan. Ontginnen is zwaar werk. De ontginners hakken eerst de bomen in het drijfnatte moerasbos om. Hout en twijgen gebruiken ze voor de bouw van boerderijen, het vlechten van manden en andere huisraad. Daarna moet er veel gegraven worden. Het ontboste terrein is namelijk te nat voor landbouw en bewoning. De ontginners graven om de 30 roeden (113 meter) een lange rechte sloot vanaf de rivier landinwaarts. Zo loopt het overtollige water van het hoger gelegen veenland naar de rivier en ontstaat droge en vruchtbare landbouwgrond. Zo’n ontginningsstrook of ‘hoeve’ is gemiddeld 1245 meter diep en eindigt vrijwel altijd op een achterkade (een lange, smalle aarden wal) die het water uit het achterliggende, nog niet ontgonnen veenwoud moet tegenhouden. De eerste boerderijen liggen zo’n duizend meter van de rivieroever, dicht bij de achterkade. Dijken zijn er dan nog niet.
De eerste ontginningen: ten noorden van de IJssel
Tussen 1000 en 1050 wordt een lange strook grond langs de noordoever van de Hollandsche IJssel in fasen ontgonnen. Het gebied strekt zich uit vanaf Haastrecht tot aan de Gouwe en heet aanvankelijk Overijssel. Wij kennen dit gebied nu als het Land van Stein, Willens en Kort Haarlem. Op veel plekken zijn daar de ontginningssloten nog altijd herkenbaar in het patroon van waterlopen en straten, zoals ook in Goverwelle, Oosterwei, Kort Haarlem en in de binnenstad. De ontginning stopt ongeveer bij de Gouwe. Die stroomt op dat moment tussen de Oosthaven en de Spieringstraat. De haven en ook de grachten langs de Spieringstraat en Peperstraat worden later gegraven. De ontginning wordt al vrij snel dieper landinwaarts voortgezet, waardoor ook de blokken Ouwe Gouwe en Achterwillens ontstaan. Al in het begin van de ontginning moet er een ‘hof’ zijn gesticht ten zuiden en oosten van de huidige Sint-Janskerk. Vanuit dat hof houdt een vazal van de Utrechtse bisschop toezicht op de werkzaamheden.
De twaalfde eeuw
Niet veel later wordt er 'hoger' vanaf de Gouwe naar het oosten ontgonnen. Dan ontstaat een ontginningspatroon dat we nog terugzien in de Lange Groenendaal, de Turfmarkt en de Nieuwehaven. In een oorkonde van 1143 wordt Gouda al een ‘plaats’ genoemd, wat wil zeggen dat er een aanzienlijke nederzetting is. Een paar jaar eerder, in 1139, is er al een groot rechthoekig blok langs de Gouwe ontgonnen, de huidige wijk Bloemendaal ten noorden van de huidige binnenstad. Het blok loopt helemaal door tot aan de tegenwoordige A12. Ook hier zien we de ontginning weer deels terugkeren in het stratenpatroon, zoals in de Büchnerweg, de Mercatorsingel, de Van Reenensingel en de A12 zelf. De bewoners van deze twaalfde-eeuwse ontginningsblokken hebben er waarschijnlijk al een eigen parochiekerkje. Pas in 1278 neemt de Sint-Janskerk die functie van het kerkje in Bloemendaal over.
Omkering van het landschap
Als gevolg van alle afwateringen klinkt het veen in. Het meters hoge veenkussen zakt na verloop van tijd aanzienlijk en als resultaat keert het landschap als het ware om: de kleiige oevers van de rivieren verzakken niet, maar het landschap daarachter wel. De rivieren komen hoger te liggen dan het land en voeren nu geen water meer af, maar aan. Vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw investeren de bestuurders en bewoners dan ook veel tijd en moeite om door middel van dijken en sluizen het water uit het steeds lager liggende land te houden. Als gevolg van de inklinking is de waterhuishouding van Gouda en haar omgeving tot heden een van de grootste problemen voor de waterschappen (zie afbeelding Waterbeheersing in Holland en Ontginning door waterbeheersing).