Leider van de Goudse patriotten
Cornelis de Lange van Wijngaerden, telg uit één van Gouda’s rijkste regentenfamilies, is al op zijn 25ste jaar lid van de vroedschap (de gemeenteraad) van Gouda. Daar pleit hij voor meer invloed van de burgerij op de samenstelling van de bestuursorganen in de Republiek. Hiermee haalt hij zich de woede op de hals van de aanhangers van stadhouder Willem V. Hij sluit zich aan bij de oppositiepartij, die ontstaat als reactie op het uitbreken van de Vierde Engelse Oorlog in 1780. Deze partij wordt bekend als de patriottenbeweging. In 1783 is De Lange betrokken bij de oprichting van het Goudse vrijkorps. Dit is een groep gewapende patriotten die op straat marcheren en bereid zijn hun ideeën met geweld te verdedigen. Gesteund door het vrijkorps wordt de invloed van de Goudse patriotten steeds groter. Vooral nadat in 1785de stadhouder uit Den Haag is weggestuurd. De Oranjes gaan in Nijmegen wonen, maar de dagen van het Oranjehuis lijken geteld.
Aanhouding Wilhelmina van Pruisen
Wilhelmina van Pruisen is de kordate echtgenote van prins Willem V. Omdat prins Willem V niet zo doortastend is, besluit zij in juni 1787 zelf in actie te komen. De prinses gaat op weg naar Den Haag om daar een verzoening tussen de Oranjegezinden en de patriotten tot stand te brengen. Een afdeling van het Goudse vrijkorps houdt de prinses in de buurt van de Vlist staande en brengt haar in afwachting van nadere orders naar een boerderij bij de Goejanverwellesluis, het tegenwoordige Hekendorp. De Lange is commandant van het vrijkorps, en daarmee eerstverantwoordelijke voor de aanhouding van Wilhelmina. Zelf is hij op dat moment voor overleg in Woerden. Aan het eind van de dag keert hij terug naar zijn commandopost aan de Goejanverwellesluis en weigert de prinses de doorgang. Voor haar zit er niets anders op dan rechtsomkeert te maken naar Nijmegen.
Plunderingen
Het optreden van het Goudse vrijkorps is voor Wilhelmina aanleiding de hulp van haar broer Frederik Willem II, koning van Pruisen, in te roepen. Deze eist genoegdoening van de Staten van Holland. Als deze niet komt, trekt halverwege september een Pruisische legermacht van 20.000 soldaten de Republiek binnen. Veel tegenstand ondervinden zij niet. Voor de aanhangers van Oranje is dit een mooie kans om met de door hen zo gehate patriotten af te rekenen. Ook in Gouda worden hun huizen geplunderd. Daarbij blijft de kapitale woning van De Lange aan de Westhaven niet gespaard. Een ooggetuige heeft het over ‘een toneel van geweld en verwoesting’ door ‘een verwoed en aangehitst grauw’. Er valt een dode en er zijn meerdere gewonden. Bij ruim 250 Goudse huizen wordt schade aangericht.
Terug in het bestuur
De Lange vlucht weg en is zijn vooraanstaande positie kwijt. Maar in 1795 verandert de situatie. Het Franse leger trekt over de bevroren rivieren de Republiek binnen en stadhouder Willem V vlucht met zijn gezin naar Engeland. Het bestuur van de Republiek wordt op een andere manier georganiseerd. Dat daarbij ook De Lange een taak krijgt toebedeeld, spreekt voor zich. Tot de inlijving van de Republiek bij Frankrijk (in 1810) maakt hij met tussenpozen deel uit van het landsbestuur. Dat jaar legt de Lange zijn functies neer omdat hij niet onder het centrale Franse bewind wil dienen.