Economisch verval
Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw gaat de Goudse economie achteruit. De komst van het Franse leger in 1795 versnelt dit proces. De langdurige oorlogen in de periode na de Bataafse Revolutie (1795) blijken heel slecht voor de handel. Uiteraard is Gouda niet de enige stad die daar last van heeft, maar hier slaat de crisis wel heviger toe dan elders. De Goudse nijverheid is namelijk erg afhankelijk van een klein aantal bedrijfstakken, zoals de pijpenmakerijen en de touwslagerijen. Die bedrijfstakken hebben zwaar onder de oorlogen te lijden. De Gouwenaars blijven bovendien te lang vasthouden aan de producten die hen ooit voorspoed brachten. Ook na het vertrek van de Fransen blijft de Goudse economie hierdoor nog lang kwakkelen.
Krimp en afbraak
Door de economische achteruitgang loopt het inwonertal van Gouda vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw geleidelijk terug. Telt de stad in 1725 nog ruim 16.000 inwoners, in 1795 zijn dit er nog maar 11.715. Als gevolg van deze krimp kent de stad begin negentiende eeuw veel leegstand. Mensen ruilen dure grachtenpanden in voor kleinere woningen of splitsen hun panden in meer woningen om de woonkosten betaalbaar te houden. De stad ‘verkrot’ in hoog tempo. In deze periode wordt ongeveer tien procent van alle woningen afgebroken, wat soms voor lelijke lege plekken langs de grachten zorgt. Ook de stadsmuren en stadspoorten verdwijnen. Ze hebben geen militair nut meer en het is te duur ze te onderhouden. Door de armoede komt de stad er in de negentiende eeuw dus heel anders uit te zien.
Werkinrichting tot Wering van de Bedelarij
Als de Amerikaanse natuurwetenschapper Benjamin Silliman de stad in 1805 bezoekt, wordt hij naar eigen zeggen verwelkomd door een ‘zwerm hongerige ellendelingen’. In de decennia daarna stijgt het aantal arme mensen flink: het woord Gouwenaar wordt een ander woord voor bedelaar. Nog in 1842 constateert stadsarts W.F. Büchner ‘dat het getal armen hier ter stede onevenredig groot is’. Het grote aantal bedelaars is in 1849 aanleiding voor enkele Goudse notabelen om hun stadgenoten te vragen één cent per dag bij te dragen voor de oprichting van een Werkinrichting tot Wering van de Bedelarij. De inrichting opent haar deuren op 2 januari 1850 aan de Groeneweg, in het voormalig gebouw van de Latijnse School.
Op die openingsdag melden zich 119 armen, de tweede dag 174 en na drie weken is het aantal gegroeid tot meer dan 400 per dag. Zij moeten van acht uur 's morgens tot zeven uur 's avonds aanwezig te zijn. Voor het werk dat ze er doen krijgen ze driemaal per dag een voedzame maaltijd. Werkzaamheden zijn bijvoorbeeld touwpluizen, sokken breien, vlas spinnen, erwten, bonen, tabak en lompen sorteren en spijkers recht kloppen. De werkers ontvangen per dag drie, later zes centen. De inrichting is een succes. Acht maanden na de opening kan de voorzitter van het bestuur trots uitroepen: 'De bedelarij is geweerd, de luiheid is gefnuikt!' (de bedelarij is tegengehouden, de luiheid beëindigd.)
Diaconale armenzorg
Ook de kerken dragen hun steentje bij en helpen de vele armen in de stad. De diaconie van de Hervormde Gemeente biedt hulp door turf, brood en geld uit te delen. In bijzondere gevallen krijgen de armen gort, grutten en tarwemeel, of soepbonnen. Met deze bonnen, die het stadsbestuur aan de diaconie levert, kunnen arme Gouwenaars in de wintermaanden een portie voedzame soep krijgen. Want vooral in het winterseizoen, als er weinig werk is, is de nood hoog. Tussen 1823 en 1853 stijgt het aantal mensen dat deze hulp krijgt van 241 naar maar liefst 2250. Met de industriële ontwikkeling in Gouda na 1860 neemt de werkgelegenheid weer toe en daalt dit aantal.