De oorsprong: geloof en pest in de 17e eeuw
In de 17e eeuw werd de regio rond de Beerzen getroffen door een zware pestepidemie.
De geestelijken en inwoners beloofden, als de ziekte hen zou sparen, jaarlijks op bedevaart te gaan om Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel te eren en haar voorspraak af te smeken.
Die belofte legde de basis voor zowel de bouw van de Mariakapel in Westelbeers als voor de jaarlijkse processie naar Scherpenheuvel.
De Mariakapel van Westelbeers
Aan de rand van Westelbeers, waar de Kapeldijk uitkomt op de Spreeuwelsedijk bij de Groote Beerze, staat de Mariakapel, een rijksmonument (nr. 31602) gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel.
Het kleine gebedshuis herinnert aan geloof, tegenslag en volharding. Gebouwd in 1637, waarschijnlijk als dank voor het einde van de pest, groeide de kapel uit tot een geliefde plek van devotie en samenkomst.
Reeds in 1621 werd melding gemaakt van een kapelletje op dezelfde plaats. Willem Adriaans de Cort, oud-burgemeester van Westelbeers, en Jacob Peters van Huygevoort, burgemeester en eerder Heiligegeestmeester van Westelbeers, legden toen bij een Bossche notaris vast dat “... een capelleken of huysken aldaer, daerinne wort gehouden memorie van Onse Lieve Vrouwe ende Sint Job, d'welck teenemael in den gront was bedorven van de rebellen van syne conincklyke maiesteyt ende daernae weder opgericht.”
De eerdere kapel was dus verwoest tijdens de Tachtigjarige Oorlog, waarschijnlijk in 1580, en later herbouwd.
In de 19e eeuw werd de kapel geheel vernieuwd en meermaals gerestaureerd. In 1937 kreeg zij een torentje met een klokje, op kosten van Sjef Liebregts, hoofdbroedermeester van de Beerse processie. De toren werd ontworpen door architect Jos Bedaux.
Tijdens de bevrijding in 1944 raakte de kapel beschadigd en ging het oorspronkelijke houten Mariabeeldje verloren. In Scherpenheuvel werd een nieuw beeldje van gebakken klei gehaald, dat na diefstal nogmaals werd vervangen.
Rond 1980 volgde een grondige restauratie.
De kapel is nog altijd een vertrouwd oriëntatiepunt en wordt vooral bezocht in de maanden mei en oktober. Op 1 mei wordt de meimaand traditioneel geopend met een viering in de kapel onder leiding van de pastoor.
De Mariakapel blijft nauw verbonden met de jaarlijkse Beerse processie naar Scherpenheuvel.
De Beerse processie naar Scherpenheuvel
Na de belofte tijdens de pest bleef de jaarlijkse bedevaart een belangrijk onderdeel van het religieuze leven in de Beerzen. Luid biddend en zingend trok men op 29 juli, de feestdag van de HH. Petrus en Paulus, te voet naar Scherpenheuvel — een tocht van vier dagen.
Volgens de overlevering bleven de Beerzen na het afleggen van deze gelofte gevrijwaard van de pest. Uit dankbaarheid voor deze bescherming werd in 1637 de stenen kapel in Westelbeers gebouwd.
Tijdens de Franse overheersing kwam tijdelijk een einde aan de bedevaart, maar in 1805, na nieuwe ziekte-uitbraken, werd de traditie hersteld.
In 1855 ontstond de “Lieve-Vrouwevereniging”, die de organisatie op zich nam. De leden betaalden jaarlijks tien cent contributie.
Het doel was bescherming te vragen tegen ziekten onder mens en vee en tegen rampspoed in de Kempen.
De pastoor van Middelbeers trad op als directeur en stelde de opperprocessiemeesters aan.
Pastoor P. van de Gevel, die van 1891 tot 1911 in Middelbeers stond, verkreeg in 1898 van de bisschop van ’s-Hertogenbosch de verheffing tot broederschap:
“De Beerse processie naar Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel.”
De processiemeesters kwamen uit dorpen in de wijde omgeving: Hilvarenbeek, Diessen, Hooge en Lage Mierde, Hulsel, Casteren, Hoogeloon, Bladel en Vessem.
Zij inden de contributie en zagen erop toe dat de bedevaart waardig verliep. Als teken van hun functie droegen zij een processiestaf of bidstok.
De pelgrimstocht begon in groepen, met een eerste stop bij de abdij van Postel. Daar werden de vaandels ontrold, waarna men biddend en zingend onder klokgelui de abdij betrad.
Na een overnachting trok men via Dessel naar Mol, vervolgens naar Meerhout, waar de kapelaan de zegen gaf, en daarna naar Veerle, Averbode en Zichem.
Rond zes uur ’s avonds bereikte men De Brug, vlak bij Scherpenheuvel. Daar werden de pelgrims plechtig ontvangen door de geestelijkheid van het heiligdom.
Na een rondgang om de kerk werd een lof gehouden in de basiliek. De volgende ochtend vond een plechtige hoogmis plaats met zang van het Leuvens koor.
Na afloop keerde men, na nieuwe zegeningen, langs dezelfde route huiswaarts.
Een levende traditie
De Beerse processie kende in de 19e eeuw grote populariteit in de Kempen. In 1884 telde de Mariavereniging 3.454 leden, waarvan de meesten afkomstig waren uit de Beerzen. Onder de weldoeners bevond zich mevrouw De la Court van Baest, voor wie in Scherpenheuvel speciaal werd gebeden.
Ondanks vergrijzing en afnemende religieuze betrokkenheid blijft de traditie voortbestaan.
Tegenwoordig gaat men niet meer te voet, maar met bussen heen en weer op één dag.
Zo blijft de Beerse processie, samen met de Mariakapel van Westelbeers, een levend symbool van geloof, dankbaarheid en verbondenheid tussen de Beerzen en Scherpenheuvel.
Mariakapel Westelbeers en de Beerse processie naar Scherpenheuvel
In tijden van ziekte en onzekerheid vonden de inwoners van de Beerzen houvast in hun geloof.
Uit dankbaarheid voor het afwenden van de pest bouwden zij in 1637 een kapel gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel en beloofden zij jaarlijks een bedevaart naar die plaats te ondernemen.
Zo ontstonden twee eeuwenoude tradities — de Mariakapel van Westelbeers en de Beerse processie — die nog altijd getuigen van de diepe religieuze verbondenheid in De Kempen.