Met de Oranjes als stadhouder werd het ambt feitelijk erfelijk en lag een vorstelijke titel in het verschiet. Maar voordat het zover was, was er sprake van twee stadhouderloze tijdperken, periodes dat de Staten de zittende stadhouder aan de kant schoven, ook omdat er vrees was dat de Oranjes te machtig werden. De eerste was van 1650–1672, de tweede van 1702 tot 1747. En een halve eeuw later was het bijna gedaan met de stadhouderlijke dynastie. In 1795, het jaar van de zogenoemde Bataafse revolutie, werd stadhouder Willem V gedwongen naar Engeland te vluchten, waarop nog in hetzelfde jaar door de revolutionaire burgers de Bataafse Republiek werd uitgeroepen. In deze roerige tijden was er tweespalt tussen de Nederlanders onderling: Oranjegezinden tegenover republikeinen ook wel patriotten genoemd. De Oranjeboom werd als symbool gevoerd door de orangisten, terwijl – hoe plastisch – het omhakken van de oranjeboom (met wortel en tak) een geliefd symbool was bij de andere partij.
In Voorschoten getuigt molen De Oranjeboom van die voortdurende tweestrijd.
Middeleeuwse regeltjes
Molens droegen verplicht een naam. Zo wist iedereen in de regio bij welke molen het graan gemalen moest worden. Er was sprake van een zogenoemde molendwang, eigenlijk een anti-concurrentiebeding. De molendwang had als tegenhanger het Windrecht, het alleenrecht van de landheer op ‘windvang’, een recht dat beleend of verpacht kon worden. Met de Bataafse Republiek werden deze archaïsche regels afgeschaft.