Boerderijen in de late middeleeuwen

Boeren woonden vanaf de late middeleeuwen in zogeheten woonstalhuizen van het “Hallehuis”-type: het woonhuis en de daar achterliggende stal vormden één rechthoekig gebouw. De stal was van het type potstal, waarin de mest van de dieren werd opgepot om later te gebruiken om het akkerland te bemesten.

De huizen hadden lemen vakwerkwanden, en de daken waren voorzien van een rieten of strooien dak. Eiken- en elzenhout bleven tot waarschijnlijk de 14e eeuw het gangbare bouwmateriaal op het platteland. Het rond 1200 geïntroduceerde baksteen werd aanvankelijk alleen voor kerken, kastelen, en in de welvarende steden gebruikt. In de 14e eeuw deed baksteen langzaam zijn intrede bij de boerderijen. Net als bij de donjon, een versterkte woontoren, werd als eerste de kelder en opkamer in steen opgemetseld. Later volgde het voorhuis en de stal. Vanaf de 15e eeuw werden de eerste boerderijen geheel in steen gebouwd. Tijdens restauratiewerkzaamheden in 1970 in de boerderij aan de Veurseweg 215 werden sporen van verstening uit de 15e eeuw aangetroffen. Bij de aanleg van de Bergambacht waterleiding, tussen 1992 en 1994, zijn resten gevonden van een andere laatmiddeleeuwse boerderij.