De belangrijkste heerlijke rechten waren:
- • rechtspraak en de (aanzienlijke) opbrengsten daaruit, vooral boetes;
- • schot- of landrente;
- • tolrechten;
- • tienden of een vorm van winstbelasting waarbij een tiende deel moest worden afgedragen;
- • marktrecht, visrecht, jachtrecht en windrecht.
In Voorschoten werd de lokale rechtspraak tot 1550–60 voltrokken door de schout en de buren (inwoners van een buurschap). In het midden van de 16de eeuw professionaliseerde de rechtspraak en werd recht gesproken door de schout en zeven schepenen. De schepenen waren inwoners van Voorschoten met enige juridische kennis en een eigen vermogen, daarmee minder vatbaar voor omkoping.
De Heer van Wassenaar was niet zelf aanwezig om de heerlijke rechten in Voorschoten uit te oefenen en de naleving daarvan te controleren. De schout betaalde de ambachtsheer elk jaar een bedrag voor het mogen uitoefenen van het ambt en verhaalde dit geld op zijn beurt weer op de inwoners van Voorschoten.
Voorschoten was vanaf 1615 tevens een hoge heerlijkheid, wat inhield dat ook ernstige zaken als doodslag, verkrachting, verminking, diefstal hier berecht werden door de schout, die in deze hoedanigheid baljuw werd genoemd.