Veenpaden uit de bronstijd

In Krimwijk II staat een bronzen beeldengroep bij de centrale vijver. Drie mannen en een vrouw dragen een kano, en lopen op een zogeheten, uit takken opgebouwd veenpad. De betonnen palen in de vijver geven het verloop weer. Tijdens archeologische opgravingen zijn in deze wijk drie van zulke veenpaden uit de Bronstijd (1800–800 v.Chr.) gevonden. De veenpaden liepen vanaf de hogere strandwal – waar nu de Leidseweg ligt – richting de Vliet. Over waarvoor deze paden zijn bedoeld, bestaan verschillende theorieën.

Prehistorische wegen in natte gebieden

Als mensen in de prehistorie door een gebied trokken, gebruikten ze in principe natuurlijke verbindingen: landwegen over de hogere gronden, en vaarwegen via rivieren en beken. In de natte en drassige veengebieden moesten paden worden aangelegd. In Drenthe, Noord-Duitsland, en Denemarken ging het om kilometers lange paden, opgebouwd uit takkenbossen, die vanaf de hogere gronden het veen inliepen. In het kustgebied komen deze veenpaden ook voor, maar zijn uiterst zeldzaam. Bijzonder is dat in 2005 drie van dergelijke veenpaden zijn aangetroffen bij de aanleg van de wijk Krimwijk II. Ze dateren uit de Bronstijd, rond 1400–1250 v.Chr. De paden bestonden uit een dikke laag elzentakken, en liepen parallel aan elkaar vanaf de strandwal door wat toen een rietveenmoeras was. Het langste pad kon over een lengte van 350 meter worden gevolgd. De loop van één van de paden is bij de inrichting van de wijk zichtbaar gemaakt door het Knuppelpad, dat dwars door de wijk loopt. Op ongeveer een meter diepte zijn de paden in de grond bewaard gebleven.

De constructie en functie van de veenpaden

Het rietmoeras waar de paden doorheen liepen, lag tussen de strandwal waarop het centrum van Voorschoten ligt, en een kreek op ongeveer de plaats van de huidige Vliet. De constructie van de paden was simpel. Ze bestonden uit takken van in de buurt gekapt elzenhout. Voor de aanleg is veel hout gebruikt. Uit de bijlafdrukken viel af te leiden dat bronzen bijlen zijn gebruikt. De takken werden vaak zonder enige verdere bewerking in de lengterichting in pakketten van 20 tot 50 cm dikte neergelegd, en werden met in het veen gedrukte paaltjes bij elkaar gehouden. De paden waren tussen de 80 en 100 cm breed, en dienden mogelijk alleen als wandelpad.

Bekend is dat er omstreeks die tijd geïsoleerde boerenerven in het veen lagen. De paden zouden dan vanaf de strandwal naar die boerenerven hebben geleid. Ook kan het zijn dat de veenpaden naar een oude kreek liepen, waar nu ongeveer de Vliet ligt. Daar lagen mogelijk de kano’s waarmee de bewoners richting de Rijn bij Leiden voeren.