Deze eerste bewoners waren boeren die een gemengd bedrijf voerden. Ze deden aan veeteelt en bewerkten kleine akkers. Daarnaast jaagden en visten ze, en verzamelden ze veldvruchten. Ze woonden verspreid langs de gehele strandwal tussen Leidschendam-Voorburg en Voorschoten in kleine gemeenschappen van enkele families. Elke familie had een eigen erf. Daarop stond een langwerpige, rechthoekige boerderij met vrijstaande schuurtjes en graanopslaghuisjes (spiekers). Een houten hek begrensde het erf, zodat het vee niet zomaar in de buurt van de boerderij kon komen. De bewoners gebruikten werktuigen en wapens van vuursteen, natuursteen, dierlijk bot, of van hout. Van klei vermengd met kwarts maakten ze dikwandige kook- en voorraadpotten.
Vlaardingencultuur
De Vlaardingencultuur is de verzamelnaam voor de kleine boerengemeenschappen die woonden in het westen van Nederland, in de Maas- en Rijndelta. De naam komt van de eerste grote vindplaats van deze cultuur, die in 1958 is ontdekt in Vlaardingen. De erven van deze eerste boeren in Voorschoten zijn gevonden in Boschgeest/Karel Doormanlaan, Dobbewijk/Den Donk en het Deltaplein. Op de strandwal waarop Voorschoten ligt, werden kleine akkers aangelegd waarop graan werd verbouwd. Op de natte weidegronden van de kwelders langs de kust werd het vee geweid. In de bossen op de strandwal en in de delta van de Rijn jaagden de bewoners op wild, visten ze, en verzamelden ze vruchten en noten.
Voorschoten, een aantrekkelijke vestigingsplaats
Het Voorschotense grondgebied was aantrekkelijk voor deze eerste bewoners. De oude strandwallen, door de zee opgeworpen, verschaften hen droge, bewoonbare plekken. De kalkrijke, zandige ondergrond was vruchtbaar genoeg om graan op te telen. Ossen trokken primitieve ploegen, die eergetouwen worden genoemd, om de kleine akkers te bewerken. In de ploegvoren werd vooral emmertarwe gezaaid, dat na de oogst met de hand gemalen werd om te worden gebruikt voor graanpap. Het vee bestond vooral uit runderen, varkens, geiten, en schapen. Het grazen gebeurde in het kwelderachtige gebied tussen de strandwal en de strandvlakte langs de kust. Bijna alles van het vee werd gebruikt. Het vlees werd gegeten, de melk gedronken, de huiden gedragen als kleding, en van de botten maakte men gereedschap en sieraden.
In de bossen van eiken, essen, iepen, en hazelaars jaagden de bewoners op wilde zwijnen, edelherten, reeën, otters, en vogels. Ook de bruine beer behoorde tot de jachtbuit. Vis stond eveneens op het menu. In de kreken werden zoetwatervissen als snoek, paling, en steur gevangen, maar ook een aan de kust aangespoelde potvis of zeehond werd gegeten. Verder verzamelde men hazelnoten, eikels, bramen, en wilde appels. Het hout van bomen werd gebruikt als bouwmateriaal en als brandstof. Kortom, Voorschoten bood de eerste boeren goede leefomstandigheden.