De taal van Gennep

Plat – dialect – regiolect

De gemeente Gennep is dan wel Limburgs, maar voor de taal – het dialect van Gennep – geldt dat niet. In de noordelijkste punt van Limburg wordt geen ‘echt’ Limburgs meer gesproken. Het Genneps is een Kleverlands dialect, dat aansluit bij de dialecten uit Noord-Brabant, Gelderland én Duitsland.

Een niet-Limburgs dialect
Als dialect in Limburg is het Genneps in 1997 opgenomen in het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Gelders Kleverlands. Deze beschermde status verplicht overheden zoals provincies en gemeenten zich actief in te zetten voor het behoud van deze talen.

Het ‘Genneps’, dat wil zeggenhet dialect van Gennep, Heijen, Milsbeek, Ottersum en Ven-Zelderheide, valt dus onder dit handvest, maar strikt genomen is Tegelen de noordelijkste plaats in Limburg die nog alle belangrijke Limburgse dialectkenmerken heeft. De taal van Gennep sluit aan bij de dialecten van het Brabantse Land van Cuijk, het Gelderse Rijk van Nijmegen, de Over-Betuwe en de Liemers. Verder is er een sterke verwantschap met de dialecten in het Duitse Land van Kleef. We spreken daarom van een Kleverlands dialect. Het Genneps maakt dus deel uit van een regionale taal die gesproken wordt in twee landen (Nederland en Duitsland) en drie provincies (Limburg, Noord-Brabant en Gelderland).

Afstand tot het Nederlands
Voor inwoners van Gennep, Heijen, Milsbeek, Ottersum en Ven-Zelderheide en voor nieuwkomers is het Genneps een taal die eigen is aan de gemeente en die ook duidelijk anders is dan het Nederlands. Op een lijst van 28 dialectgebieden uit 1974, geordend naar hun afstand tot het Nederlands, staat het Genneps op plaats 14. Deze middenpositie lijkt terecht. Mensen van buiten de regio die in het Gennepse komen wonen, moeten weliswaar wat moeite doen om het dialect van hun nieuwe woonplaats te verstaan, maar na verloop van tijd blijkt dat geen onmogelijke opgave.

Talige kenmerken
Het Genneps wijkt in een aantal opzichten duidelijk af van het Nederlands. Het meest afwijkend zijn de klanken. De ‘lange’ ij en de ui worden uitgesproken als ie (wien, ‘wijn’) en uu (buute, ‘buiten’). Het Genneps heeft ook méér klinkers dan het Nederlands, zoals een donkere ó (bóks, ‘broek’), de ö van Köln (mök, ‘kalf’) en een i-achtige è, van het Duitse ‘Feld’ (kèl, ‘man, kerel’). Lange klinkers zijn onder andere de ao, van ‘zone’ (schaop, schaap), de öö, van ‘freule’, (nööle, ‘zeuren’) en de èè, van ‘serre’, (lèève, ‘leven’). Typerend is dat klinkers gerekt kunnen worden (aangegeven met een punt achter de klank), zoals in rö.st (‘rust’). De klinkers worden dan langer uitgesproken.

Bij de woordvorming kent het Genneps niet alleen meervouden op -e(n) en -s, maar ook meervouden door klinkerverandering (tak, ték, ‘tak/takken’), door klinkerrekking (huus, huu.s, ‘huis/huizen’) of door hetzelfde enkelvoud en meervoud (knie.nd, ‘konijn’/‘konijnen’). Ook verkleinwoorden kennen klinkerveranderingen, zoals bót, butje: ‘bot’, ‘botje’.

In tegenstelling tot het Nederlands maakt het Genneps nog een duidelijk onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden, onder andere te zien aan het lidwoord ‘een’ en de vorm van het bijvoeglijk naamwoord. Mannelijk: enne mojje stoe.l, ‘een mooie stoel’, vrouwelijk: ’n moj toffel, ‘een mooie tafel’.

Enkele ‘typische’ dialectwoorden tot slot zijn schóttelslét, ‘vaatdoek’, knaoje, ‘mopperen’ en schuu.pe, ‘rondzwerven, de hort op gaan’. Een uitgebreider overzicht van de vormenrijkdom en de woordenschat van het Genneps geeft Het Genneps Dialectwoordenboek.

De volgende voorbeeldzinnen, met een vertaling in het Nederlands, laten de genoemde verschijnselen zien.

  • Wat enne mök van enne kèl is dâ. (Wat een lompe vent is dat.)
  • Schèj now ’s uut mit dâ nööle én knaoje; dâ begint mien é.cht te vervèèle. (Houd nu eens op met dat zeuren en mopperen; dat begint me echt te vervelen.)
  • Mit dèn harde wie.nd van vörrige wèèk vlooge de ték ró.nd de huu.s. (Bij die harde wind van vorige week vlogen de takken rond de huizen.)
  • Die jóng dèn van hiernèève duut niks liever as schuu.pe. (Dat jonge meisje van hiernaast doet niets liever dan de hort opgaan.)

Kennis en gebruik
Kennis en gebruik van het dialect nemen af. Het dialect wordt minder goed beheerst dan vroeger en onderzoek naar het dialect in de gemeente Gennep laat zien dat ook het dialectgebruik drastisch terugloopt. Tussen 1965 en 1984 wordt het gebruik van het dialect door kinderen duidelijk minder. Van rond de 80 % in 1965 naar 45 % in 1975 en 30 % in 1984. Recentere gegevens zijn er niet, maar een toename van het dialectgebruik, lijkt niet aannemelijk.

Waardering en identiteit
Ondanks de daling van het dialectgebruik leeft het dialect, en niet alleen met carnaval. In veel gezinnen worden dialect en Nederlands naast en door elkaar gebruikt en hetzelfde geldt voor veel andere situaties zoals in de omgang met vrienden of in het verenigingsleven. Ook laat onderzoek zien dat ouderen én jongeren het dialect nog steeds positief waarderen. Dit alles in tegenstelling tot vroeger, toen het dialect nog vaak beschouwd werd als een ‘platte’ taal. Het dialect zal nu vaak als tweede taal worden geleerd en we weten ook dat jongeren graag dialect gebruiken op sociale media.

Levende taal
Dialect is een levende taal die steeds verandert. Dialecten worden regiolecten, waarin de meest afwijkende woorden en vormen ‘vernederlandst’ zijn. Schóttelslét wordt vaatduukske, bé.nd, ‘banden’, wordt ba.nde en stékbèère, ‘kruisbessen’, kruusbésse. Maar het dialect blijft in aanzien, niet als taal voor officiële en zakelijke gelegenheden, maar wel als uiting van een eigen identiteit, als teken van loyaliteit aan de eigen herkomst en cultuur en als uiting van solidariteit met een eigen groep.

Vensterauteur: Sjaak Kroon en Herman Giesbers