Van pottenbakker tot steenfabriek
In vroeger tijden moest aan bepaalde basisvoorwaarden worden voldaan om pottenbakkers en de keramische industrie in staat te stellen hun producten te vervaardigen. Om te beginnen moest de grondstof voor de producten aanwezig zijn: klei. Deze kon in de regio gemakkelijk worden gewonnen in de uiterwaarden van de Maas en de oude bedding van de Rijn langs de stuwwal.
De tweede voorwaarde was de aanwezigheid van voldoende brandstof om de keramische producten te kunnen bakken in de houtgestookte ovens. Hout was in onze streek volop aanwezig in de bossen op de rivierduinen en de stuwwal. Een probleem voor de pottenbakkers in de late middeleeuwen was dat de ovens vanwege brandgevaar vaak buiten de stadsmuren moesten staan. Er waren daarom ook boeren buiten de stad die tevens het vak van pottenbakker uitoefenden.
Een derde voorwaarde was een afzetmarkt. De vroegere pottenbakkers produceerden vooral huishoudelijk aardewerk zoals potten, schalen en kommen voor de lokale behoefte. Van bijvoorbeeld bloempottenproductie, zoals wij die in de vorige eeuw kenden, was nog geen sprake.
Omdat de afzetmarkt in de regio slechts klein was, oefenden veel pottenbakkers een nevenberoep uit: ze waren vaak ook bakker of metselaar. De oven werd dan voor twee doeleinden gebruikt: de bakker kon zijn oven ook voor het bakken van zijn brood gebruiken, en de metselaar voor zijn eigen stenen of tegels.
In de negentiende eeuw ontstond er in de streek rond Gennep een echte keramische industrie. Op verschillende plekken stonden veldovens, waarin stenen of dakpannen werden gebakken. Soms groeide een veldoven uit tot een fabriek(je): bij de Kop aan de Maas op de grens van Middelaar en Milsbeek stond tientallen jaren een dakpannenfabriekje. En in Milsbeek groeide een veldoven aan de Bloemenstraat uit tot Steenfabriek Milsbeek, die miljoenen ‘Milsbeek stenen’ produceerde.
Pottenbakken in de zeventiende en achttiende eeuw
Als gevolg van de godsdienstoorlogen in de 16e en 17e eeuw weken veel (katholieke en protestantse) pottenbakkers uit naar de streek rondom Gennep. In het jaar 1594 wordt voor het eerst een pottenbakker in de Gennepse archieven vermeld. Al snel daarna wordt Gennep een echt keramisch centrum: tussen 1600 en 1800 oefenen maar liefst een veertigtal pottenbakkers in de regio Gennep hun ambacht uit.
Ze waren onder andere afkomstig uit het Duitse stadje Sonsbeck, van oudsher een pottenbakkersstadje. Naar de zin van het gemeentebestuur van Sonsbeck werkten er te veel pottenbakkers. Nadat het gemeentebestuur hun diverse restricties had opgelegd, vertrok een aantal van hen uit Sonsbeck. Tien van hen vestigden zich in de achttiende eeuw in Gennep, Ottersum en Milsbeek.
Slibgoed
In deze tijd produceerden de pottenbakkers zogenaamd slibgoed. Slibgoed of slibaardewerk behoort tot de Nederrijnse keramiek. Dit aardewerk werd versierd met een dunne kleipasta waaraan pigmenten waren toegevoegd. Het product werd daarna voorzien van een transparante loodglazuurlaag. Tijdens het bakken smolten de kleipasta en het glazuur ineen en werd het product waterdicht.
Naast gebruiksvoorwerpen werd er ook vaak ‘gelegenheidskeramiek’ gemaakt: schotels en potten waarop fraaie afbeeldingen van bijvoorbeeld een heilige of een belangrijke persoon werden aangebracht.
Familiebedrijven en conglomeraties
Veel pottenbakkerijen waren familiebedrijven en onderling werd veel samengewerkt. Rond 1800 had Gennep zelfs een pottenbakkerswijkje – ‘Het Huys Aghter de Kerk’ – waar verscheidene pottenbakkers werkten. Ook elders in Gennep lagen meerdere pottenbakkersovens. De naam 'Pottenhoek', tussen het centrum en de Niers, herinnert hier nog aan.
Binnen de grotere bedrijven ontstonden ondernemingsstructuren en medewerkers specialiseerden zich in bepaalde taken. Een aantal zorgde voor de aanvoer van klei en hout, anderen voor het draaien van potten en het fabriceren van tegels. Daarnaast waren er de stokers die ervoor zorgden dat de producten goed gebakken uit de ovens kwamen en ten slotte de telloorschilders die de producten decoreerden. Dit waren allemaal gespecialiseerde ambachtslieden.
Bloempottenfabrieken
Aan het einde van de negentiende eeuw moesten de ambachtelijke pottenbakkers het afleggen tegen de industrieel vervaardigde keramiek, die bijvoorbeeld in Maastricht werd vervaardigd in de fabrieken van Petrus Regout. Toen in de twintigste eeuw de vraag naar potplanten ontstond, schakelde de pottenbakkersfamilie Liebrand over op het produceren van bloempotten. Een aantal werknemers die bij Liebrand het vak geleerd hadden, begonnen later een eigen bloempottenfabriekje. Rond 1950 waren er in Gennep één, in Ottersum tien en in Milsbeek zelfs 11 bloempottenbedrijfjes.
In de zestiger jaren deed de plastic bloempot zijn intrede. Dat bleek de doodsteek te zijn voor de keramische bloempottenindustrie. In 2006 werd de laatste bloempottenfabriek van Arts in Milsbeek gesloten. Dit was het einde van een bloeiende industrie in de regio Gennep.
De Olde Kruyk en Keramisto
Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Bij de Olde Kruyk in Milsbeek schakelde men in de jaren dertig van de vorige eeuw van bloempotten weer over op de fabricage van ambachtelijke keramiek. Het bedrijf ontwikkelde het 'Milsbeeks Bont', ook bekend als 'Limburgs Bont'. Dit werd bekend tot in de Verenigde Staten en Australië.
Vanuit de Olde Kruyk groeide de huidige situatie: een grote verscheidenheid aan keramisten, die laten zien hoe veelzijdig en creatief men met klei kan zijn. Velen hebben zich verenigd in het Noord-Limburgs Pottenbakkerscollectief. Sinds 1980 organiseren ze jaarlijks de grote internationale keramiekmanifestatie ‘Keramisto’, één van de grootste pottenbakkersmarkten van Europa.
Vensterauteur: Jeroen Liebrand