Gastarbeiders in Gennep

Werknemers van verre

In de jaren vijftig kwamen de eerste gastarbeiders naar ons land. Dat gebeurde ook in Gennep, waar genoeg te doen was. Na de verwoestingen van de oorlog was er veel werk aan de winkel, vooral omdat veel Nederlanders besloten te emigreren naar landen als Australië, Nieuw-Zeeland en Canada vanwege de betere kansen daar.

Werken in de industrie
De Papierfabriek Gennep (Page), Premetaal (later Alu Premetaal) en de steenfabriek in Milsbeek waren enkele van de plekken waar deze arbeiders terechtkwamen. Ze kwamen uit diverse landen: Italië, Joegoslavië, Marokko, Spanje en Turkije.

De Turkse gastarbeiders kwamen via tussenpersonen naar Gennep om vooral bij Premetaal te gaan werken. Ze kwamen uit het Zwarte Zeegebied en uit Anatolië. De Marokkaanse arbeiders werden in de jaren 70 door een Page-medewerker zelf opgehaald met een Volkswagen-busje en kwamen uit met name de armere streken van Marokko.

De gastarbeiders werden gehuisvest in pensions. Dit verliep niet altijd vlekkeloos en sommige ondernemers profiteerden van de nood aan huisvesting. Dat leidde tot politieke belangstelling voor dit onderwerp. In 1970 werden aan wethouder Jan Linders vragen gesteld over de controles in logementen voor gastarbeiders. In 1971 werd een verordening ingesteld die ervoor moest zorgen dat de logementen in orde waren. Maar tot in de jaren tachtig was sprake van huisvesting in pensions en verschenen er publicaties over het ontbreken van goede huisvesting.

Onrust over de goede zeden
In 1965 ontstond er een kerkelijk initiatief en werd door drie dekenaten het Sociaal Charitatief Streekcentrum Noordelijk Limburg opgericht om voorlichting te geven aan zowel de gastarbeiders als de Nederlanders. De eerste bijeenkomst werd druk bezocht door Nederlanders en een vijftiental gastarbeiders uit Turkije. Ook de politiek was goed vertegenwoordigd tijdens deze avond. Er werd onder andere een film over Turkije vertoond.

In een artikel in de Maas- en Niersbode werden rond die tijd zorgen geuit over het feit dat zoveel pasgehuwde jonge mannen lange tijd zonder hun vrouw in de gemeente verbleven. Er werd een waarschuwing gegeven aan de jonge Nederlandse vrouwen, omdat men meende te weten dat Turkse mannen andere verwachtingen hadden rondom ‘vriendschappen’ dan Nederlandse.

Samen carnaval vieren
In 1971 werd de carnavalsreceptie van de Maskotters in Ottersum opgeluisterd door een groep Marokkaanse gastarbeiders, die in traditionele kledij de prins en de raad kwamen feliciteren. Dit werd zeer gewaardeerd door de Maskotters. In de proclamatie van prins Sjaak I is terug te lezen: “Tègge alle gastarbeiders zeg ik: Ahoj, of dat ze nou komen uit Marokko, Turkije of Balgoy.

In dat jaar woonden er 69 Marokkanen en 32 Turken in de gemeente Gennep (destijds was de gemeente Ottersum nog zelfstandig). Het eerder gevormde comité uit 1965 was inmiddels opgeheven, en in 1971 werd een nieuw comité opgericht, waarin de sociale dienst, het (bedrijfs)maatschappelijk werk en de kerk samenwerkten. Na de oprichting namen ook Turkse en Marokkaanse inwoners zitting in dit comité.

Er werd voor gezorgd dat de gastarbeiders hun eigen godsdienst en gebruiken konden uitoefenen. Velen droegen een steentje bij aan de jaarlijkse viering van het Suikerfeest aan het einde van de Ramadan. Er kwam een voetbalveldje achter de scholen aan de Picardie en er werd gestart met Nederlandse lessen.

In toenemende mate vestigden zich ook gezinnen van gastarbeiders in de gemeente Gennep. De term gastarbeider werd gaandeweg vervangen door aanduidingen als allochtonen, etnische minderheden, immigranten, mensen met een migratieachtergrond of gewoon Turkse of Marokkaanse Nederlanders.

Meer aandacht voor inburgering
Rond 1980 werd een politieke werkgroep gevormd, die moeizaam via een discussiestuk de beleidsnota ‘Etnische Minderheden’. Het uitgebreide rapport toonde aan dat er sprake was van moeizame vraagstukken rondom huisvesting, gezinshereniging, taal en integratie. Problemen en zorgen die overigens in het hele land een rol speelden.

De problemen rond taal en integratie kwamen overigens ook deels voort uit het feit dat de gastarbeiders in eerste instantie geen Nederlands hoefden te leren, omdat ze – zo was de gedachte – toch maar tijdelijk in Nederland zouden zijn. Ook de situatie van de Molukkers werd besproken in deze context.

De nota ‘Etnische Minderheden’ leidde in 1983 tot het Minderhedenbeleid. Als onderdeel van dat beleid kregen kinderen van Marokkaanse herkomst – naast Nederlandse les – ook les in hun eigen taal en cultuur op school. Dit gold aanvankelijk niet voor de Turkse kinderen omdat zij met te weinig waren om in aanmerking te komen voor de regelingen. Beide groepen kregen in de jaren tachtig een lokaal in het zogenaamde Activiteitencentrum De Brug, een voormalige basisschool op de plek waar nu het Bolwerk staat. Het welzijnswerk bood begeleiding.

De Marokkaanse gemeenschap nam daarnaast het initiatief voor een gebedsruimte. Er ontstond grote onrust bij de buurtvereniging rondom de Willem Boyeweg toen enkele mensen uit de Marokkaanse gemeenschap, samen met politici, in 1987 een bezoek brachten aan het voormalige ambulancegebouw. Dit gebouw werd ongeschikt bevonden, maar de buurt kwam desondanks in actie tegen de geplande moskee en stuurde brieven aan het Gennepse gemeentebestuur.

Als reactie hierop ontstond vanuit een brede politieke initiatiefgroep voor een Marokkaanse gebedsruimte, waaruit de stichting Islamitisch Marokkaanse Moskee Gennep werd opgericht. In 1988 liet de stichting in de Gaest een ruimte ombouwen tot moskee. In 2016 verhuisde deze geloofsgemeenschap naar een nieuwe zelfgebouwde moskee bij het MFC de Goede Herder, waar in 2012 ook de Turkse gemeenschap introk.

Inmiddels hebben naast de voormalige gastarbeiders ook vluchtelingen, asielzoekers en kennismigranten hun plek in de gemeenschap gevonden. Op de Gennepse scholen zitten anno 2024 ook leerlingen uit landen als Syrië, Eritrea en Oekraïne. In circa driekwart eeuw is de gemeente Gennep een multiculturele samenleving geworden, en dat zal ze ook blijven.

Vensterauteur: Frank Pubben