Selly en Nannie

Over Gennepse slachtoffers van de Holocaust

De Holocaust liet in Gennep diepe sporen na. De Joodse gemeenschap in Gennep werd in de Tweede Wereldoorlog gedecimeerd. De meeste Joodse slachtoffers waren volwassenen, maar ook twee Joodse meisjes werden door de Duitse nazi’s vermoord: Selly en Nannie. Zij werden in Sobibor vergast en verbrand.

Al eeuwenlang Joden in Gennep
Al sinds de 17e eeuw wonen er Joden in Gennep. De Joden die van oudsher in Gennep woonden, waren ondernemend. Zij waren vaak slager of veehandelaar en volledig geïntegreerd in de Gennepse gemeenschap. Voor Gennep en zijn inwoners maar ook voor henzelf waren ze ‘gewone’ Gennepenaren.

Veruit de meeste Gennepenaren waren rooms-katholiek. De Joden waren in zoverre anders dat ze een ander geloof hadden en een eigen kerkgebouw: de synagoge aan de Kerkstraat (anno 2024: Torenstraat), en ook een eigen Joodse begraafplaats aan de Davidlaan.

In de jaren dertig van de 20e eeuw nam het aantal Joden in Gennep toe door immigratie vanuit Duitsland. Deze mensen waren weliswaar ‘import’, maar kregen door de oprichting van twee textielfabrieken – Kann & Co en Daco – veel statuur in Gennep, omdat ze zorgden voor veel nieuwe werkgelegenheid.

De oorlog begint
Toen Nederland op 10 mei 1940 werd aangevallen door Duitsland, woonden er 52 Joden in Gennep. Enige dagen na de Duitse inval wordt nog een joodse baby geboren: Anneke van Leeuwen.

De meeste Joden die voor de oorlog naar Gennep gekomen waren, verlieten Gennep in 1941 weer en gingen naar het westen in de hoop aan de nazi’s te ontsnappen. De Joden die van oudsher in Gennep woonden, bleven in Gennep.

Stukje bij beetje werd de Duitse repressie harder, waarbij de gemeente voor de uitvoering van de opgelegde maatregelen van de nazi’s zorgde. Zo moesten alle Joden zich bij verordening van 6 januari 1941 laten registreren bij de gemeente. Vanaf 8 augustus 1941 moesten Joodse kinderen naar een speciale Joodse school in Nijmegen. En vanaf 20 september van dat jaar mochten Joden niet meer in de horeca, hotels, sportvelden en slachthuizen komen. Er werden in Gennep 36 borden ‘Verboden voor Joden’ opgehangen.

De repressie neemt toe
Tijdens de Wannseeconferentie op 20 januari 1942 werd besloten tot de uitvoering van een 'definitieve oplossing' voor het 'Jodenvraagstuk'. Naast de reeds bestaande concentratiekampen werden vernietigingskampen opgericht met als enkel doel Joden direct na aankomst te vermoorden.

Na die conferentie ging het hard: vanaf 3 mei 1942 moesten alle Joden een Jodenster op hun kleren dragen. Op 24 juni moesten ze hun fietsen inleveren bij de Gennepse politie, die zo ook de kinderfiets van het Joodse meisje Selly Andriesse in beslag nam. Vanaf 30 juni 1942 mochten Joden zich na acht uur ’s avonds niet meer buiten bevinden, mochten ze niet meer in huizen van niet-Joden komen en alleen nog tussen 3 en 5 uur winkelen. In augustus 1942 waren er nog 27 Joden in Gennep.

Deportaties
Op 24 augustus 1942 werden in Gennep acht oproepen voor deportatie uitgedeeld. Eén persoon woonde inmiddels in Amsterdam en één persoon verbleef in de tbc-inrichting Zonlichtheide. Zes Joden verlieten Gennep met de tram richting Maastricht, gingen vandaar naar Westerbork en daarna richting Auschwitz. Op zondag 30 augustus 1942 werden Hildegard Andriesse (24 jaar), Helene Andriesse-Hes (49 jaar) en Hedwig Block (52 jaar) vermoord in Bunker 2 van Auschwitz-Birkenau, zes dagen nadat zij in Gennep in de MBS-tram waren gestapt. De drie mannen, Walther Andriesse (24 jaar), Sjuul Andriesse (57 jaar) en Werner Hertog (33 jaar), werden net voor Auschwitz uit de trein gehaald en in een zogenaamd Arbeitslager gestopt. Geen van hen overleefde de oorlog. Op 25 augustus 1942 woonden toen nog 20 Joden in Gennep.

In april 1943 volgde de oproep voor achttien van de overgebleven Joden om gedwongen geëvacueerd te worden naar Vught. Vier van hen doken onder. Arthur van Leeuwen en zijn vrouw Ellen Hoffmann doken onder in Berlijn bij haar zus. Hun baby Anneke, net geboren na de Duitse overval, gaven ze mee aan de ondergrondse en kwam in Friesland terecht. Simon van Leeuwen, de oom van Arthur, dook onder op de Gennepse Hei. Ellen Hoffmann werd in Berlijn verraden en kwam om. Arthur van Leeuwen overleefde de oorlog, evenals zijn oom Simon.

Veertien Joden gingen op 9 april 1943 met de trein vanaf station Gennep naar Vught. Dat waren: het echtpaar Harry en Jülchen Andriesse-Jakobsohn met hun 10-jarige dochter Selly en 81-jarige schoonvader Abraham Jakobsohn; het echtpaar Max en Reina Bock-Oppenheimer met Max’ zussen Bertha en Josephina; het echtpaar Jöbke; Jet Kaufman-Leefsma met haar 12-jarige dochter Nannie; Jet van Leeuwen; en ten slotte het echtpaar Sam en Johanna Andriesse-Jesse. Vanuit Vught gingen ze naar kamp Westerbork. Van daaruit werden ze later met een treinreis van drie dagen in afgesloten veewagons naar Sobibor vervoerd, waar ze alle veertien direct na aankomst werden vergast.

Na deze deportatie waren er toen officieel nog twee Joden in Gennep. Dat waren Bertha Andriesse (63 jaar) en Hedwig Kolling-Hirschberg (61 jaar). Hedwig Kolling-Hirschberg werd wegens het overtreden van het avondverbod door de Gennepse politie gearresteerd. Zij was na acht uur ’s avonds nog op straat wat ze als Jodin niet mocht. Zij werd naar het Oranjehotel in Scheveningen gebracht en is uiteindelijk in Auschwitz omgekomen.

Slachtoffers en overlevers
Van de 52 Gennepse Joden aan het begin van de oorlog (53 als je baby Anneke van Leeuwen meetelt) hebben achttien personen de oorlog uiteindelijk overleefd, vijfendertig zijn er tijdens de oorlog omgekomen: drie personen stierven een natuurlijke dood en 32 Joden zijn door de nazi’s vermoord. Van die 32 personen zijn 22 Joden vanuit Gennep gedeporteerd en vermoord.

De gebeurtenissen rond de Jodenvervolging worden in Gennep op verschillende wijzen herdacht: door de naamgeving van het Ellen Hoffmanplein voor het gemeentehuis, door de 22 struikelstenen voor uit Gennep gedeporteerde Joden, en door het Holocaust-monument op het Vredesplein. In 2018 verscheen bovendien het boek En toen waren ze weg over de Jodenvervolging in Gennep.

Vensterauteur: Harm Teunissen