De pastoor met 8 paspoorten

Hoe de mensen in de regio Gennep meermaals van nationaliteit veranderden

In 1841 ging Theodoor van Alphen – pastoor van Gennep – zeer tegen zijn zin in het stadhuis van Gennep op audiëntie bij koning Willem II. “Ik ben als Pruis geboren, was student onder Frankrijk, kapelaan in de Bataafse Republiek, en pastoor in Frankrijk, Nederland, België en toen weer Nederland. [Maar] ik erken slechts één Heer: God de Almachtige Vader.” Deze anekdote illustreert goed hoe vaak Gennep en omstreken tussen 1794 en 1839 telkens opnieuw van heerschappij wisselden.

Een bestuurlijke achtbaan
Vanaf het jaar 1701 waren Gennep en omstreken onderdeel van het koninkrijk Pruisen. Dat veranderde toen de Franse revolutionaire legers in de jaren na de Franse Revolutie (1789) de Pruisische troepen in 1794 terugdreven naar de rechter Rijnoever. De koning van Pruisen stond in 1795 het gebied ten westen van de Rijn, inclusief het hertogdom Kleef en de heerlijkheid Gennep, af aan de Franse republiek.

In 1795 werd Gennep samen met Ottersum, Oeffelt en Mook onderdeel van het kanton Kleef. In 1797 vinden we Ottersum en Gennep terug als het 37e kanton in het Departement van de Roer om in 1798 samen met Gennep en Mook en Middelaar te belanden in het kanton Kranenburg van het Kleefse arrondissement in het Departement van de Roer. Heijen daarentegen werd onderdeel van het kanton Goch om in 1798 een commune te worden in de gemeente Bergen. Pas in 1973, bijna tweehonderd jaar later zou Heijen weer ‘terugkeren’ bij Gennep. In 1801 ging Oeffelt tot de Bataafse Republiek behoren. Tussen 1806 en 1810 hoorde het bij het koninkrijk Holland onder het bewind van Lodewijk Napoleon om uiteindelijk opgenomen te worden in de provincie Noord-Brabant. Zo kwam een einde aan de eeuwenlange verbondenheid van Oeffelt met Gennep.

Een nieuwe gemeente
Na de inlijving in 1801 van het oude ambt Gennep in het Franse keizerrijk ontstond in 1804 de gemeente Ottersum, die bestond uit twaalf gehuchten. Hoewel Ottersum niet de grootste woonkern was[1] – Milsbeek, ‘t Ven en Aaldonk waren groter – was deze plaats wel de voornaamste. Hier stond de parochiekerk, en woonden burgemeester, wethouders, pastoor en kapelaan. Ook de gemeenteraad vergaderde in Ottersum. In die tijd nog in de boerderij van Van de Loo, het latere klooster Maria Roepaen.

In Ottersum en Gennep werd door het Franse bestuur een burgerlijke stand ingevoerd waarmee van iedere inwoner geboorte, huwelijk en overlijden werd vastgelegd. Ook werd iedereen verplicht een achternaam te kiezen. Naast deze verplichte administratie werd de rechtsongelijkheid tussen verschillende beroepsgroepen, zoals die feitelijk altijd onder het Kleefse en Pruisische bestuur had bestaan, opgeheven. Deze formele gelijkheid voor de wet zou voor iedere inwoner van stad en platteland op den duur een grote vooruitgang gaan betekenen. Zeker ook voor de bevolkingsgroepen die door Pruisische wetgeving en recht in een minderheidspositie waren gedrukt, zoals de Joden.

In al deze bestuurlijke constructies bleef echter onder de Franse bezetting één ding onveranderd: de inwoners van onze streek bleven zuchten onder de door de Fransen opgelegde verplichtingen en belastingen, en de dagelijkse pesterijen van het ingekwartierde soldatenvolk. De ingevoerde dienstplicht betekende voor veel jonge mannen bovendien een verplichte inlijving in het Franse leger. Velen van hen zouden niet meer terugkeren van de veldtocht van Napoleon naar Rusland.

Kanonschot van de Maas
Na de val van Napoleon werd in 1815 tijdens het Congres van Wenen besloten dat het koninkrijk Pruisen de scheepvaart op de Maas niet mocht beïnvloeden. Om dat te kunnen bereiken moest Pruisen een kanonschot (800 Rijnlandse roeden, ca. 3000 m) van de Maas komen te liggen. Hierdoor werden Gennep en Ottersum onderdeel van het nieuw te vormen Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In Duitsland werd deze grens nog lange tijd de ‘Kanonenschutzlinie’ genoemd.

Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (de huidige Benelux) moest een krachtige staat ten noorden van Frankrijk vormen onder leiding van de nieuwe koning Willem I. Van de gemeente Ottersum, Nergena en Kessel werden de kernen Nergena, Kessel, Groenewald en Asperden daarentegen aan Pruisen toegevoegd. Naast de Dam en ‘t Ven, kwamen enkele jaren later ook de ‘Overnierse’ Yshövel en Looi bij Ottersum. Deze kernen waren aanvankelijk ook aan Pruisen toegewezen. Inwoners van beide plaatsjes kerkten bij de parochie Hommersum. Wilden zij geen Pruisen worden, dan moesten ze van parochie wisselen en voortaan in Ottersum ter kerke gaan. De Kendel werd de grens tussen Nederland en Duitsland. Ook kwamen het Koningsven en de St. Jansberg bij het nieuwe koninkrijk.

Gennep en Ottersum worden Belgisch
Door de Belgische afscheiding van Nederland in 1830 werd Ottersum het meest noordelijke puntje van het opstandige België. De latere provincie Nederlands-Limburg werd – met uitzondering van Mook en Maastricht – Belgisch. Deze afscheiding was het gevolg van verschillen in cultuur, taal en religie, en de zuidelijke afkeer van de Hollandse dominantie in het nieuwe koninkrijk.

Ook toen Gennep tot het Belgische koninkrijk behoorde met Leopold I als de eerste vorst, bleef de Maas een grensrivier. Het economisch verkeer met het zo nabijgelegen Nederland was tussen 1830 en 1839 officieel geblokkeerd door het Belgische handelsembargo. Maar handelaren vinden altijd wel een weg: vanuit Luik en Herstal werden steenkolen, hout, kalk, granen, koloniale waren en boter over de Maas naar Gennep vervoerd. Daar werden ze gelost en vervolgens met paard en wagen naar Emmerich gebracht, waar de goederen weer in schepen werden geladen die op Nederland voeren. Deze sluikhandel was, hoewel illegaal, een oppepper voor Gennepse tappers en brouwers, bakkers, smeden, winkeliers, zadelmakers, leerlooiers en logementhouders. In 1839 erkende Nederland het koninkrijk België en werden Gennep en Ottersum weer – en nu definitief – Nederlands.

[1] Gemeten naar het aantal woningen per kern

Vensterauteur: André Vermeulen