Gennep aan de ketting

Over het oudste kadaster van Nederland

In de zestiende en zeventiende eeuw gingen Gennep en omgeving als deel van het hertogdom Kleef gebukt onder zware belastingen. Nadat het hertogdom in 1614 onder Brandenburgse heerschappij gekomen was, wilden de keurvorsten en later de Pruisische koningen het Kleefse belastingstelsel hervormen. Dat resulteerde in de oudste kadastrale opmeting in Nederland in het jaar 1732.

Onrechtvaardig en ondoelmatig
Het belastingstelsel in het hertogdom Kleef was zeer onrechtvaardig: de adellijke en kerkelijke grootgrondbezitters betaalden relatief weinig of helemaal niets en de (keuter)boeren en ambachtslieden naar verhouding veel. Elk jaar bepaalden de Kleefse ‘stenden’ – de adel, geestelijkheid en hogere burgerij (ook wel de ‘geërfden’ genoemd) – op basis van een onwrikbare en onrechtvaardige verdeelsleutel hoeveel belasting door elke sociale groep moest worden opgebracht. Zeker in tijden van misoogsten, epidemieën en oorlogsgeweld nam de belastingdruk op de arme plattelandsbevolking hierdoor fors toe. Het gevolg was dat verarmde boeren wegtrokken naar elders waardoor de achterblijvers nog meer belasting moesten betalen. De Brandenburgse en Pruisische regeringen waren daarom van plan voortaan belasting te gaan heffen naar Gewinn und Gewerb ofwel naar (grond)opbrengsten en verdiensten.

Maar de basis van het stelsel was ook achterhaald. De verschuldigde belasting kon alleen maar worden berekend op basis van door de grondeigenaren zelf verstrekte opgaven, met alle vormen van misleiding en ontduiking van dien. Het was dus noodzakelijk te kunnen beschikken over een register waarin alle relevante gegevens van de eigenaren en hun grondbezit waren opgenomen. Dit maakte het noodzakelijk het hertogdom perceel voor perceel kadastraal te gaan opmeten.

Kleef versus Berlijn
Aangezien in het hertogdom Kleef de adellijke en kerkelijke grootgrondbezitters hun boerderijen en landerijen niet zelf exploiteerden maar verpachtten, zouden ook hun tot dan toe grotendeels onbelast gebleven bezittingen belastingplichtig worden. Het zal niet verbazen dat de drie stenden met in het ambt Gennep de grootste grondeigenaar, de Ottersumse raadsheer Von Forell, zich met man en macht verzetten tegen dit voornemen van de Berlijnse regering. De drie stenden hadden namelijk van de Brandenburgse keurvorst het recht verkregen de jaarlijks op te brengen belastingsom vast te stellen.

Wat de grootgrondbezitters extra stak, was dat het vrijwel onmogelijk zou zijn de door hen te betalen belasting af te wentelen op hun pachters, want dan bestond het risico dat die pachters zouden wegtrekken. En leegstaande boerderijen en overwoekerde akkers en weiden brachten helemaal geen pacht op, terwijl er wel voor betaald moest worden.

In het hertogdom Kleef was het regel dat bestuurders werden benoemd uit de Kleefse adel. Zolang de Berlijnse vorsten dit recht eerbiedigden, was hun positie sterk en konden ze de belastinghervorming jarenlang traineren. De bestuursmacht van de Kleefse elite verminderde echter toen in het hertogdom Kleef steeds vaker bestuurders uit Pruisen en Brandenburg werden aangesteld.

Gennep als eerste aan de ketting gelegd
Op bevel van koning Frederik Willem I van Pruisen begonnen in augustus 1731 landingenieurs van het Corps des Ingenieurs met het opmeten van het buitengebied in het ambt Gennep, inclusief Oeffelt en de heerlijkheid Heijen. De omtrek van elk perceel werd opgemeten, de oppervlakte ervan in roedes en morgens uitgerekend, en de naam en woonplaats van de eigenaar of pachter en het gebruik van de grond vastgelegd op zowel kadasterkaarten als in registers (‘Feldbücher’). Elke domeinhof, uithof en keuterboerderij, elke bomen- en struikenhaag, elke weg, pad en steeg, tuin, akker en weiland werd in kleur ingetekend op kadasterkaarten. Omdat ook de ‘woeste’ gronden werden opgemeten, weten we dat In 1731 ongeveer 60% van het ambt Gennep en de heerlijkheid Heijen bestond uit heide- en veengebieden, bossen en vennen. We kunnen op deze kaarten ook zien hoeveel gronden toen nog in gebruik waren als ‘gemene’[1] gronden.

Het opmeten gebeurde met een geijkte koperen ketting, getrokken door lokaal ingehuurde krachten. Vandaar de later gebruikte uitdrukking ‘Gennep werd aan de ketting gelegd’. Ook figuurlijk als we in aanmerking nemen wat het doel was van deze cartografische operatie: een effectievere wijze van belastingheffing. De nauwkeurigheid van de bewaard gebleven kaarten en registers wekt ook na driehonderd jaar nog bewondering. Het vakmanschap van de landingenieurs staat buiten kijf. Zij wisten op een ingenieuze wijze het door de Nederlandse wiskundige Gemma Frisius (1508-1555) en cartograaf Jacob van Deventer (1505-1575) ontwikkeld principe van de driehoeksmeting voor het eerst in Europa toe te passen op hun kadastrale werkzaamheden.

Het ambt Gennep en de heerlijkheid Heijen werden vastgelegd op 45 kaarten of folio’s van ongeveer 100 bij 70 centimeter. Van het Genneperhuis en de binnenstad van Gennep zijn geen kaarten gemaakt.

Voor het gehele hertogdom Kleef waren 1000 kaarten nodig is. Het bijzondere is dat vrijwel al deze kaarten en bijhorende registers bewaard zijn gebleven. In 1738 waren de landingenieurs klaar met het opmeten van vrijwel het gehele buitengebied van het hertogdom Kleef.

Een goudmijn
Dankzij deze kaarten en registers hebben we een uniek inzicht in de agrarische samenleving rond 1730. Niet alleen hoe de eigendomsverhoudingen lagen: wie waren de grootgrondbezitters, en hoeveel grond bezaten de parochies, armenbesturen en kloosters; maar ook de namen van keuterboeren, de vorm en omvang van de dorpen en nederzettingen en de ontwikkeling van het agrarische landschap. Akkerpercelen die in smalle stroken naast elkaar lagen, waren toen al meer dan 500 tot 1000 jaar oud, terwijl blokvormige percelen van recentere datum zijn.

Het Kleefse kadaster is ook een rijke bron voor de heemkunde, de genealogie en de monumentenzorg. De kaarten geven ons een indruk hoe het landschap er honderden jaren geleden heeft uitgezien met zijn woeste gronden en stroomdalen van Maas, Rijn en Niers. Des te belangrijker omdat dit oeroude landschap op het punt stond te verdwijnen. Niet alleen doordat de Pruisische vorsten in de tweede helft van de 18e eeuw werk gingen maken van het op grote schaal ontginnen van de woeste gronden, maar ook doordat de onteigeningen in de Franse tijd de samenleving van de 18e eeuw ingrijpend zouden veranderen.

Wel een nederlaag maar (nog) niet verslagen
Het kadaster heeft er uiteindelijk niet voor gezorgd dat de belastingvrijheid van de Kleefse adel en burgerlijke elite op hun landerijen en bezittingen noemenswaardig werd aangetast. Daarvoor was het wachten op de Franse troepen in 1795. Het stelde de Pruisische bestuurders wel in staat het beschikkingsrecht over de niet in cultuur gebrachte heide- en veengronden te verwerven. Dat opende de weg voor het ontginnen van deze woeste gronden tot akkerlanden.

Vensterauteur: André Vermeulen. Met medewerking van: Teun Theunissen