De halve heerlijkheid Heijen

Over kasteelheren en schutters

De (geschreven) geschiedenis van Heijen gaat waarschijnlijk terug tot rond het jaar 1000. Vermoedelijk stond er in de negende eeuw al een kerkje gewijd aan Sint Dionysius op de hoogste plek in het moerasgebied waar nu het kerkhof ligt. In 1442 werd, niet ver van de kerk, het Huis Heijen gebouwd. Maar het eerste versterkte houten huis (burcht) is rond het jaar 1000 gebouwd aan het Lange Ven, een oude Maasbedding.

Halve macht
De oudste officiële vermelding van Heijen is te vinden in een Latijnse oorkonde van 12 maart 1271. De vertaling: “Wilhelm Schenk v. Nydeggen wijst klooster Graefenthal voor het houden van een jaargetijde voor zijn overleden en in de abdij Graefenthal bijgezette echtgenote Mechtildis een jaarlijkse renteopbrengst van zes malder koren (3 malder gerst en 3 malder haver) toe, komend van verschillende landerijen, geheten Selegut in Heijen.”

Heijen was een heerlijkheid: een grondgebied waar een heer de lakens uit deelde. Voor onderlinge twisten of oorlogen en het kopen van nieuwe macht was echter geld nodig. Daarom leenden machthebbers delen van hun territorium tegen flinke bedragen aan verwanten en vrienden. Zo ontstond de verhouding leenheer – leenman.

De heren van Heijen waren zulke leenmannen. Lange tijd hadden ze geen zeggenschap over de hele, maar slechts over de halve heerlijkheid Heijen. En halve heerlijkheid is halve macht. Zo leggen hertog Willem van Kleef en Arndt van Spanrebock, heer tot Heijen, in 1560 de Heijense rechten (en plichten) vast: de halfheren van Heijen moeten gevangen op de 3e dag aan de hertog uitleveren op de grens van Gennep en Heijen bij de Hezen. Inkomsten uit hertogelijke belastingen worden gelijk verdeeld. Zo ook de opbrengst van boetes, accijnzen en tienden, de opbrengst van de konijnenvangst en de visvangst in de Maas en het Heijense Meer en de houtopbengst van de Oude en Nieuwe Hezen.

Onder wisselende heren
De geschiedenis van de heerlijkheid Heijen gedurende de middeleeuwen is ingewikkeld. Door allerlei vervlechtingen van Heijen met de geschiedenis van Gelre en Kleef en met die van de heren van Boxmeer en die van Gennep heeft Heijen tussen 1000 en 1442 aan meerdere heren toebehoord. Die noemden zich heren van Heijen of heren tot Heijen, al naargelang ze hele (‘van’) of gedeelde (‘tot’) macht hadden. In de 13e eeuw was Boxmeer bijvoorbeeld een belangrijk bruggenhoofd voor de hertog van Gelre in het land van Cuijk en was Heijen, in bezit van de heren van Boxmeer, van strategisch belang aan de oostzijde van de Maas.

Gennep en Heijen voeren in hun wapens een Andreaskruis met vier droogscheerderscharen. Heijen in zwart-wit, Gennep in rood-geel. Er is dan ook een historische relatie tussen Heijen en Gennep: op 24 juni 1424 kreeg Jan van Loon, heer van Gennep, een grote geldlening van de hertog van Kleef, waarvoor hij zijn helft van de heerlijkheid Gennep – het Genneperhuis en stad en land van Gennep, inclusief Heijen – als onderpand moest geven. Jan van Loon loste deze lening echter nooit af en droeg op 20 december 1442 al zijn goederen over aan hertog Adolf van Kleef.  Reinoud en Gijsbrecht van Brederode, erfgenamen van de andere helft van de heerlijkheid Gennep, verkochten in 1443 hun deel aan de hertog. Zo werd Heijen Kleefs gebied.

Van hofstad tot Huis Heijen
De adellijke heren Spanrebock zijn de oudst bekende heren van Heijen. Ze worden voor het eerst in geschriften genoemd in 1338. Een eeuw later, op 20 januari 1437, gaf Adolf hertog van Kleef toestemming aan Hendrick Spanrebock, heer van Heijen, om ‘een hofstad te timmeren’, een versterkte boerderij ‘inn dat Langevene, inn dat Vyrgewalt’. De hertog stelde wel uitdrukkelijk als voorwaarde dat hij zelf de heerlijke rechten behield in Heijen over bijvoorbeeld benoemingen en rechtspraak. Die burcht uit 1437 is al lang verdwenen, maar op de plaats van dit oude kasteel werd later boerderij de ‘Burgt’ gebouwd. Bij het huidige Lange Ven ligt nog steeds de Burchtweg.

Toen deze hoeve in verval raakte kreeg Hendrick Spanrebock rond 1500 toestemming om een nieuw Huys Heijen te bouwen bij het Heijense Meer, niet ver van de kleine woongemeenschap bij de Dionysiuskerk. Dit was een sterke vesting in moerassig gebied op twee hoogten: hoofdburcht en voorburcht omringd door grachten; de plek van het huidige Heijense kasteel.

De Tachtigjarige Oorlog
Arndt, de laatste Spanrebock, sneuvelde in 1577 bij gevechten om het Boxmeerse kasteel te heroveren op de Spanjaarden. Hij beheerde dat kasteel namens graaf Willem van den Bergh van ’s-Heerenberg. Na de Spanrebocks zijn er meerdere belangrijke geslachten in het bezit van Huis Heijen geweest

In een schaapskooi van kasteel Heijen ‘logeerden’ in 1640 keizerlijke en Kroatische troepen tijdens de Spaanse belegering van het Genneperhuis, dat een Spaanse vesting was. Deze troepen kwamen tevergeefs de Spanjaarden te hulp. Vermoedelijk waren deze huursoldaten onder dwang ingekwartierd gezeten bij Heijense boeren en keuters.

Tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568 tot 1648) was ook het Dionysiusgilde actief, blijkens een oorkonde van 10 december 1631. In de genoemde oorkonde wordt het gilde aangeduid als schutterij. En dat is opmerkelijk, omdat in Brabant de schuttersgilden nagenoeg allemaal verboden waren. Hun taak was om met goedkeuring van hun heer de leefgemeenschap te beschermen. Het oorspronkelijk oprichtingsjaar van het gilde is niet bekend, maar aan het einde van de Tachtigjarige oorlog is op 16 juli 1648 Heijens Schutterijreglement St. Dionysius heropgesteld en het schuttersgilde heropgericht. De feitelijke oprichting lag dus voor 1631.

Waarschijnlijk is de bovenbouw van het kasteel Heijen in de eerste helft van de Tachtigjarige oorlog verwoest. Onderzoek geeft aan dat de huidige kelders met de acht ribloze kruisgewelven van baksteen uit het begin van de zestiende eeuw dateren. Boven de kelder verrijst het brede hoofdgebouw dat dateert van rond 1600. Aan de herbouw herinnert nu nog een schouwlatei in de grote zaal waarop de wapens van Alter Knipping, heer van Heijen van 1581 tot 1633, en zijn vrouw Elisabeth Spanrebock zijn afgebeeld.

Van half naar heel naar opgeheven
De laatste hertog van Kleef stierf kinderloos in 1609 en het hertogdom Kleef, inclusief Heijen, kwam onder Brandenburgs bestuur. Tijdens dit bestuur, en onder de Heijense heer Freiherr Gisbert Johan von Vittinghof genannt Schell, werd Heijen in 1647 van onderheerlijkheid van Gennep tot de zelfstandige heerlijkheid Heijen verheven.

Na de verovering in 1794 van de Kleefse landen tussen Maas en Rijn door de Fransen onder Napoleon werd bij besluit van 23 januari 1798 de heerlijkheid Heijen opgeheven en omgezet in een gemeente van het kanton Goch, arrondissement Kleef. Vanaf 1800 maakte Heijen deel uit van de gemeente Bergen, dat onderdeel was van Pruisisch Opper-Gelre. Op het Congres van Wenen in 1815 werd een nieuwe staatkundige indeling afgesproken. De grens tussen Nederland en Pruisen (nu: Duitsland) werd bepaald op een afstand van een kanonschot gemeten vanaf de rivier de Maas om zo een bufferzone te vormen in geval van een aanval uit het oosten.

Sinds 1 januari 1973 is Heijen deel van de gemeente Gennep.

Vensterauteur: Pierre Hendriks