Een droomcarrière van een edelman in de katholieke kerk
Norbertus werd rond 1082 – 1085 geboren op het Genneperhuis. Als tweede zoon van Heribert I, heer van Gennep en zijn gemalin Hedwig, was hij voorbestemd voor een carrière in de geestelijke stand. Al op jonge leeftijd trad hij in bij de kanunniken van het St. Viktorstift in Xanten. Norbertus kreeg daar een uitstekende opleiding en werd de hofkapelaan van keizer Hendrik V (1106-1125) en aalmoezenier van de aartsbisschop van Keulen, Frederik I von Schwarzenburg (1101 -1130).
Edelman werd bedelman
In 1115 koos Norbertus voor een totaal ander leven. Op weg naar het St. Viktor damesstift[1] in Vreden werd hij door de bliksem getroffen, maar bleef ongedeerd. Dankbaar voor dit godswonder kon hij slechts de vraag stamelen: “Heer, wat wilt U dat ik ga doen?”. Een innerlijke stem zei hem: “Keer u af van het kwade en doe het goede”. Daarop liet hij zich tot priester wijden, deed afstand van zijn profijtelijke baantjes bij de keizer en aartsbisschop, verliet het St. Viktorstift en trok als bedelaar rond door de streken tussen Maas en Rijn, overal Gods woord predikend.
Norbertus een ketter?
Tijdens de synode van Fritzlar in 1118 dreigde Norbertus veroordeeld te worden als ketter. Er werden drie beschuldigingen tegen hem ingebracht. Hij ging predikend rond zonder verlof van de paus. Hij droeg de kleding van een monnik (witte kleding als teken van boete), terwijl hij niet was niet toegelaten tot een kloosterorde. En hij preekte over armoede, maar had zelf persoonlijke bezittingen. De uitspraak van de synode kennen we niet. Feit is wel, dat Norbertus daarna afstand deed van al zijn bezittingen en het domein van de Duitse kerk verliet. Hij trok naar Zuid-Frankrijk om verlof te vragen aan paus Gelasius II in St. Gilles du Gard om als bedelmonnik rond te trekken, en trok vervolgens drie jaar predikend door het Franse gebied.
In 1120 gaf de neef van zijn moeder, bisschop Bartholomeus van Laon, Norbertus een stuk grond – later Premontré[2] genoemd – om daar een dubbelklooster[3] voor zijn volgelingen te stichten. De norbertijner of premonstratenzer orde kende vervolgens een onstuimige groei: in 1134 waren er al 80 en in 1350 zelfs 500 kloosters, verspreid over heel Europa en zelfs in het Midden-Oosten. In Nederland is de in 1134 gestichte abdij van Berne het oudste stift van deze orde. In 1629, tijdens de woelingen van de Tachtigjarige oorlog verlieten de norbertijnen hun door brand en plundering geteisterde woonplaats aan de Maas en vonden een onderkomen in Heeswijk-Dinther.
Norbertus’ unieke religieuze ideaal
Het ideaal van Norbertus was een gemeenschap van mannen én vrouwen, die zich als monniken streng hielden aan de regels van het kloosterleven én als pastoors apostolisch werk verrichtten onder hun parochianen. Hun kloosters moesten een ‘Godshuis’ zijn waar zieken verzorging kregen, armen ondersteuning en pelgrims onderdak. Met dit unieke religieuze ideaal was Norbertus een voorloper van Franciscus van Assisi, de grondlegger van de franciscaner orde.
Bedelman weer een edelman
Norbertus was een inspirator, maar geen organisator. Tot verbazing van zijn volgelingen werd Norbertus op de rijksdag in Speyer in 1126 op verzoek van de latere keizer Lotharius III von Supplingenburg (1125-1137) tot aartsbisschop van Maagdenburg gekozen. Hij werd de geestelijk leider van een machtig aartsbisdom, maar ook een met wereldlijke macht beklede rijksvorst én vazal van de Duitse keizer. Norbertus stond in hoog aanzien bij zowel de paus als bij de Duitse keizer. Hij verdedigde het gezag van de paus in diens aanspraken de enige religieuze leider van de katholieke wereld te zijn.
Norbertus stierf op 6 juni 1134, ongeveer 50 jaar oud. Hij werd begraven in de Onze Lieve Vrouwe-proosdij van de norbertijnen in Maagdenburg. In 1621 werd hij, bijna vijfhonderd jaar na zijn dood, heilig verklaard.
Toen Maagdenburg in 1626-1627 werd belegerd door Spaanse troepen eiste de Spaanse bevelhebber Norbertus’ stoffelijke resten op als wisselgeld voor het niet plunderen en verwoesten van de stad na inname. Onder die druk werd het lichaam door de Spanjaarden overgebracht naar het Strahovklooster in Praag.
Daar rust zijn lichaam sindsdien in een praalgraf. Er zijn echter al eeuwenlang geruchten, dat de Maagdenburgers niet het lichaam van Norbertus, maar van diens voorganger aan de Spanjaarden hebben meegegeven. Ook gaat in Maagdenburg nog steeds het verhaal rond dat de stad getroffen zal worden door rampspoed wanneer bij nacht en ontij de lijkkoets van Norbertus verschijnt in de straten van de stad.
Sporen van Norbertus in Gennep
In en rond Gennep zijn nog vele sporen te vinden van Norbertus. Denk aan zijn beeld op de hoek van de gevel van de voormalige burgemeesterswoning op de Markt. Hij staat hier afgebeeld als een prediker. In de raadszaal van het stadhuis wordt hij in een mozaïek verbeeld als bisschop en rijksvorst. In de parochiekerk van Ottersum staat een beeld van Norbertus als ‘eucharistische heilige’. In deze kerk is hij, rechts van het altaar, ook weergegeven in de beschilderde apsis. Op het Jan Lindersplein staat in de keramiekmuur een beeld van Norbertus. Het verzorgingshuis draagt zijn naam en hij is de patroonheilige van de parochiekerk van Gennep-Zuid. Ook in het naburige Xanten zijn in de Dom, het stift en op de Fürstenberg talrijke herinneringen aan Norbertus te vinden.
Jutta van Gennep
Norbertus van Gennep is weliswaar veruit de bekendste, maar zeker niet de enige telg uit het geslacht ‘Van Gennep’, die zijn leven in het teken van het geloof stelde. Jutta van Gennep (1255 -1298), een verre achternicht van Norbertus, was de tweede abdis van klooster Graefenthal. Als adellijke dochter had zij twee ‘carrièremogelijkheden’: trouwen of intreden in een klooster. Jutta koos voor de tweede optie.
Klooster Graefenthal was een cisterciënzerinnenklooster voor ongehuwde adellijke dames, dat werd gesticht in 1248 door graaf Otto II van Gelre op verzoek van zijn vrouw, Margaretha van Kleef. Zij was ook de eerste die hier in 1251 werd begraven in de kloosterkerk. De nonnen leefden streng naar de geboden van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Het klooster kende in de tweede helft van de 13e eeuw een periode van grote bloei. Door schenkingen kwam het in het bezit van uitgebreide landerijen en boerderijen. In 1802 werd het klooster door de Fransen opgeheven en werd het complex voortgezet als boerenbedrijf.
Willem van Gennep
Ten slotte is ook Willem van Gennep interessant te noemen. Hij werd geboren rond het jaar 1300 en stierf in 1362. Hij was de zoon van Hendrik III, heer van Gennep. Hij was een berekenende en daadkrachtige machtspoliticus, die onder andere een beslissende rol speelde bij het veiligstellen van de erfenis van zijn broer Jan II van Gennep voor diens dochters Joanna en Margaretha.
Zijn kerkelijke loopbaan bracht hem tot het ambt van aartsbisschop en keurvorst van Keulen. Zowel aan het hof van de Duitse keizer als van de paus stond hij in hoog aanzien. Willem van Gennep was een invloedrijke bisschop, die een stevig financieel fundament legde onder het bisdom Keulen. In de Dom van Keulen is zijn praalgraf nog steeds te bewonderen.
[1] Een religieuze gemeenschap van adellijke dames die samen leefden in wat wij een klooster zouden noemen zonder dat zij de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid hadden afgelegd.
[2] Prémontré betekent de ‘getoonde wei’. Het verhaal gaat dat de H. Maagd Maria Norbertus in een droom deze plek aanwees voor zijn klooster.
[3] Een dubbelklooster is een klooster voor zowel mannen als vrouwen
Vensterauteur: André Vermeulen