Ganipe – de kleine burcht bij de Maas
In de oudste schriftelijke vermeldingen vinden we de naam Gennep geschreven als Ganipa, Gannepe en Gennepe. De naam is afgeleid van het Keltische Ganapja: ‘een plaats waar twee waterstromen samenvloeien’. Die twee waterstromen zijn de Maas en de Niers. De oudste vermelding is waarschijnlijk pago Ganipi[1] (Gennepergouw) in een document van de Duitse keizer Otto I uit 949.
De naam Gennep is altijd verbonden geweest met zowel het stadje Gennep als met het Genneperhuis. Zo vinden we als de oudste vermelding van het Genneperhuis municiunculum Ganipe (de kleine burcht bij Gennep) rond het jaar 1020. In de levensbeschrijving van Norbertus van Gennep, geschreven rond het jaar 1140, wordt als zijn geboorteplaats genoemd: de castro Genepe iuxta silvam Ketela ofwel: de Gennepse burcht bij het Ketelwoud (de oudste naam voor het huidige Reichswald). Ook wordt het Genneperhuis vermeld als Genhagen, die Haghe of Immenhagen. Hagen verwijst niet naar heggen of hagen maar naar hegen (einfrieden) dat omheinen betekent - een met pallisaden omgorde versterkte plaats.
Het geslacht Balderik
Het geslacht Balderik verwierf een machtige en voorname positie in de Hettergouw. Als gouwgrafen en prefecten werden ze door hun vorst begunstigd met landgoederen en profijtelijke ambten en als rechtsprekenden verrijkten ze zich met de inkomsten van opgelegde boetes en geconfisqueerde goederen. Toen graaf Godfried II van Balderik rond 1002 sneuvelde in de strijd tegen de Noormannen, werd hij opgevolgd door zijn zoon Adelbert. Deze miste de bezonnenheid en stoutmoedigheid van zijn vader. “Een vadsige domkop”, noemde Alpertus van Metz hem, en bovendien “fysiek bijna een wrak”. Weldra werd hij dan ook het mikpunt van intriges van zowel zijn zwager Wichman van Vreden als zijn neef Balderik. Beiden aasden op zijn ambt.
Adelbert trok zich terug op zijn kleine burcht in Gennep – municiunculum Ganipe – toen zijn neef Balderik keizer Hendrik II had overgehaald hem het ambt van gouwgraaf toe te vertrouwen. Maar Balderik joeg Adelbert zijn schuilplaats uit. Korte tijd later vermoordde Balderik Wichman, toen deze zich tegen deze ‘paleisrevolutie’ verzette. Deze dramatische gebeurtenissen werden al tussen 1020 en 1025 opgeschreven door de monnik en kroniekschrijver Alpertus van Metz in De Diversitate Temporum (Gebeurtenissen van deze Tijd).
De heren van Gennep
Graaf Adelbert was de stamvader van de Berten, het geslacht waarvan de heren van Gennep afstamden. De nakomelingen van Adelbert gingen zich rond 1120 naar de plaats van hun stamburcht ‘heren en vrouwen van (de heerlijkheid) Gennep’ noemen. Hun wapen had in het schild een Andrieskruis met in elk kwartier een schaapsscheerdersschaar. De scharen verwijzen waarschijnlijk naar de arme gronden in de streek, waarop enkel schapen konden worden gehouden. Waarom het Andrieskruis is gebruikt, is onduidelijk.
Tussen de heren van Gennep en de graven (later hertogen) van Gelre bestonden leenbanden. Zo streden de heren van Gennep met hun eigen manschappen in hun oorlogen, getuigden ze bij hun huwelijken, waren ze gezanten bij hun juridische disputen en bemiddelaar bij hun vredesonderhandelingen. Gennep was voor Gelre van strategisch belang, omdat de heerlijkheid als een wig tussen de Gelderse kwartieren Nijmegen en Roermond lag.
Hertog versus bisschop
Toen in de tweede helft van de veertiende eeuw de heer van Gennep – Jan II – geen mannelijke opvolger had, liet de hertog van Gelre een begerig oog vallen op diens bezit. De heerlijkheid Gennep was namelijk een zwaardleen, en kon alleen worden geërfd door een mannelijke erfgenaam.
Daarom claimde de hertog dat het leengoed bij de dood van Jan weer zou terugvallen aan hem, de leenheer. Jans broer Willem, de machtige aartsbisschop van Keulen, zette de hertog echter de voet dwars. Door zijn grote invloed bij Karel IV, keizer van het Heilige Roomse Rijk en paus Innocentius VI wist Willem voor elkaar te krijgen dat de keizer in 1356 verklaarde dat de heerlijkheid Gennep een rijksheerlijkheid was. Met andere woorden: dat niet de hertog, maar de keizer leenheer was. Dat de keizer Jan II in 1361 het tolrecht op de Maas en vermoedelijk ook het muntrecht toekende, maakte de positie van Gennep ten opzichte van Gelre nog sterker. Door deze interventie van hun machtige oom werd Gennep niet alleen een keizersleen, maar ook een spilleleen, waarmee de weg vrijkwam voor Johanna en Margaretha – de dochters van Jan II - om hem na zijn dood op te volgen als vrouwen van Gennep.
Het valt overigens te betwijfelen of deze keizerlijke beslissing veel indruk heeft gemaakt op de Gelderse heren. Waarschijnlijk wist niemand aan het keizerlijk hof waar Gennep precies lag, noch dat de keizer daadwerkelijk het niet respecteren van zijn besluit door de heren van Gelre met geweld zou afdwingen. Gennep tot rijksheerlijkheid verklaren was vooral een gunst van de keizer aan de aartsbisschop van Keulen.
Niet Gelre, maar Kleef
De inspanningen om de heerlijkheid Gennep binnen de familie te houden, door ook dochters te laten erven, zouden uiteindelijk toch niet leiden tot het gewenste resultaat. In het midden van de 15e eeuw kwam de heerlijkheid – in stukjes – uiteindelijk helemaal in handen van de hertogen van Kleef.
[1] Een pagus was in de vroege Middeleeuwen een soort district.
Vensterauteur: André Vermeulen