Boeren in de vroege Middeleeuwen
De boeren bewerkten de niet-grindhoudende rivierkleigrond met door ossen getrokken eergetouwen (haakploegen). Ze verbouwden er verschillende granen als gerst en rogge. Geoogst werd met een sikkel, gedorst met een wilgentenen wan en gemalen met stenen. Groentes werden spaarzaam verbouwd. De akkertjes (lange smalle stroken) waren tegen vraat beschermd met een doornenhaag. Koeien graasden in de beemden langs de Niers en de beken. Hier lagen ook de hooilanden. Op de hei graasden de schapen en in het veen werd turf gestoken. Het bos leverde brand- en zaaghout. Later hielden de boeren hun vee in potstallen om de kostbare mest niet verloren te laten gaan.
Het leven was hard en onzeker. Op gezette tijden was er voedselgebrek. De opbrengsten van het land waren karig en de akkers raakten snel uitgeput door de intensieve teelt en het gebrek aan bemesting. In de zesde en zevende eeuw mislukten de oogsten nog vaker doordat het natter en kouder was geworden ten gevolge van vulkaanuitbarstingen rond het jaar 536 in IJsland. Ook uitbraken van ziektes als de builenpest in het jaar 541 eisten een hoge tol aan mensen- en dierenlevens.
De boerendorpjes (of buurschappen) kenden een vorm van zelfbestuur door vrije boeren, de zogenaamde geërfden: ‘zij die een eigen erf bezitten’. Samen stelden de geërfden regels op voor het duurzaam gebruik van de gemeenschappelijke weides en woeste gronden. Zo moest voorkomen worden dat de varkens alle jonge scheuten in het bos opvraten en dat er zandverstuivingen ontstonden op de geplagde heidevelden. Ook het twee- en drieslagstelsel[1] dwong de boeren gezamenlijk te beslissen op welke akkers winter- en zomerkoren ingezaaid werd en welke braak bleven liggen.
Het feodale stelsel
Tussen de jaren 500 en 1000 maakte onze streek deel uit van de Hettergouw: één van de gewesten waarin de Merovingische en Karolingische vorsten hun rijk hadden ingedeeld. Aan het hoofd stond een door de koning benoemde gouwgraaf of prefect die verantwoordelijk was voor het bestuur, de rechtspraak en de verdediging van de gouw. Voor hun diensten kregen de gouwgraven van hun vorst het gebruiksrecht van landerijen en profijtelijke ambten. Deze gouwgraven vormden samen met de bisschoppen en kloosterabten de Frankische elite. De samenleving werd hiërarchischer en ongelijker. Veel vrije mannen werden onderdaan en knecht. Toen vanaf de 10e eeuw de macht van de koningen afnam, werden deze aristocraten heer en meester in een lappendeken van ‘staatjes’.
Ottersum = Odomars/Oetmers heem
Het zal in die tijd geweest zijn dat een zekere Odomar of Oetmer van zijn landheer (mogelijk Irmenfried I van het geslacht Balderik) stukken land te leen kreeg. Daar waar nu in Ottersum de katholieke begraafplaats en de Tiltenhof liggen, stichtte hij een hof: Odomars of Oetmers Heem. Dit werd later verbasterd tot Ottersum.
Een deel van de grond hield Odomar in eigen beheer, het zogenaamde vroonland. Hier bouwde hij een vroon- of domeinhof: een versterkte hoeve, de voorloper van de latere kastelen. De overige gronden, het zogenaamde hoeveland, liet hij bewerken door horigen die op zijn hof een boerderijtje hadden. Een vast deel van hun opbrengsten moesten zij als cijns (belasting) aan Odomar afstaan en verder waren zij verplicht op gezette tijden (gratis) hand- en spandiensten te verlenen aan hem, bijvoorbeeld bij het ploegen van het land of het oogsten en dorsen van het graan. In ruil daarvoor was Odomar verplicht hen in tijden van nood bescherming te bieden op zijn vroonhof.
Op Odomars domein stond ook een kapel. Waarschijnlijk op de plaats waar in de veertiende eeuw een kerk werd gebouwd, toegewijd aan Sint-Lambertus. Deze kerk is in 1931 afgebroken.
Hofstelsel
Odomar’s domein was onlosmakelijk verbonden met het vroegmiddeleeuwse hofstelsel, dat de basis werd van de feodale samenleving. Het was een gesloten, voor eigen behoeften producerend economisch stelsel. Geldverkeer bestond vrijwel niet en de spaarzame handel berustte op de uitruil van gebruiksgoederen. Gedwongen door krijgsgeweld, plunderingen door Vikingen, verarming door misoogsten en veeziektes schaarden vrije boeren zich onder de bescherming van een wereldlijke of geestelijke landheer. Zij werden horigen. In deze regio was Odomar die landheer.
Landheren als hij eigenden zich allerlei rechten toe die de bestaansmogelijkheden van de horige als vrije boer sterk inperkten. Het weiden van vee op de gemeenschappelijke gronden, vissen en jagen, en hout sprokkelen werd hun verboden of werden cijnsplichtig[2] gemaakt. Bovendien moesten de horige boeren een tiende deel van de oogst of het jongvee aan de kerk afstaan. Ook mochten ze het hof van Odomar niet verlaten en zonder zijn toestemming werd er niet getrouwd. Vrije boeren hadden krijgsplicht: zij moesten met hem ten strijde trekken (heervaart) in een zelf aangeschafte wapenuitrusting. Ook dat was voor vrije boeren soms een reden om te ‘kiezen’ voor horigheid.
Boer en ambachtsman
Van de vele boeren die niet konden leven van hun keuterij – ongeveer één derde van de boerenstand – specialiseerden sommigen zich in vaardigheden waarmee zij als ambachtsman of handelaar ook een bestaan konden vinden. Zo ontstond op den duur in deze zelfvoorzienende gemeenschappen weer meer ruilhandel en kregen dorpen als Gennep een marktplaats.
[1] In het tweeslagstelsel bleef de grond om het jaar en in het drieslagstelsel om de twee jaar braakliggen.
[2] Cijnsplicht hield in dat de horige boer jaarlijks zijn grondheer als erkenning van zijn horigheid een voorgeschreven bedrag (aanvankelijk in natura, later in geld) moest betalen. We spreken van wascijnsplichtigheid wanneer een dergelijk bedrag aan de pastoor van een kerk of abt van een klooster betaald moest worden. Later wordt cijns gebruikt als synoniem van belasting.
Vensterauteur: André Vermeulen