Geschiedenis
De mensen in Brabant en Limburg blijven tijdens de Tachtigjarige Oorlog katholiek. Na de vrede in 1648 wordt Brabant deel van de protestantse Republiek. Katholieken zijn tot 1795 tweederangs burgers: ze worden niet vervolgd, maar mogen hun geloof niet in het openbaar uiten.
Pas in de negentiende eeuw krijgt iedereen in Nederland gelijke rechten. In 1853 worden zelfs opnieuw bisschoppen benoemd. Katholieken gaan ‘vechten’ voor een eerlijke plek in de Nederlandse samenleving – dat noemen we de katholieke emancipatie. Overal verrijzen imposante kerken, kloosters, scholen en ziekenhuizen, meestal vernoemd naar heiligen. In het zuiden mogen weer processies worden gehouden, en op straat verschijnen zwartgerokte priesters, nonnen en paters – een vertrouwd beeld uit het Rijke Roomse Leven.
Verzuiling
Nederland is tot in de jaren zestig ‘verzuild’. Mensen voelen zich onderdeel van een groep, zoals katholiek, protestants, socialistisch, ... Iedere groep leeft vooral in zijn eigen ‘zuil’ –naast elkaar, maar nauwelijks mét elkaar. Wie katholiek was, ging naar een katholieke school, las katholieke kranten en boeken, en was lid van katholieke verenigingen. Voor eigen meningen was weinig ruimte. In onze dorpen kwamen protestanten of socialisten nauwelijks voor.
Was het Roomse Leven rijk?
Katholieken waren trots op wat hun emancipatie had opgeleverd. Rond 1930 had het weekblad Katholieke Illustratie zelfs een rubriek Uit het Rijke Roomsche Leven. Daarin verschenen foto’s van wat toen werd gezien als hoogtepunten van het katholieke leven in Nederland: grote gezinnen (vaak met 15 kinderen of meer), jubilerende priesters, vertrekkende missionarissen.
Katholieken geloofden niet alleen dat zij het ‘ware geloof’ hadden, maar vonden hun geloof ook warmer en kleurrijker dan dat van ‘andersdenkenden’. Het leven binnen de katholieke zuil kón ook echt aantrekkelijk zijn: er waren veel feesten, een sterk gemeenschapsgevoel en oprecht idealisme. Nederland kende in die tijd meer roepingen (jongens en meisjes die priester of kloosterling willen worden) dan welk ander land ook. Ook veel niet-katholieken gingen graag naar een katholiek ziekenhuis, waar nonnen dag en nacht klaarstonden.
Of was het benauwend?
Men was overtuigd dat het leven hier op aarde slechts een voorbereiding was op het hiernamaals. Er waren veel regels: je mocht op vrijdag geen vlees eten. Over relaties golden strenge regels: geen seks voor het huwelijk en je mocht allen met katholiek trouwen: Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen. De kerk bepaalde ook welke kranten je mocht lezen of van welke vereniging je lid mocht zijn.
Er lag veel nadruk op schuld en zonde: je moest opletten dat je niets verkeerd deed, want anders kwam je niet in de hemel. En in een dorp wist iedereen wat je deed, dus afwijken van de regels viel meteen op. Om in de hemel te komen, moest je als je dood ging, zonder zonden zijn. Zonden kon je wel tijdens de biecht wegwerken. De pastoor hield zijn parochianen scherp in de gaten en kwam regelmatig op huisbezoek.
Mensen die deze tijd hebben meegemaakt, kijken er dan ook vaak met gemengde gevoelens op terug. Met weemoed om de warmte en saamhorigheid, maar ook met verontwaardiging – en niet alleen vanwege het misbruik dat achter de schermen plaatsvond.
De Catechismus
Vroeger kregen kinderen op school godsdienstles van de pastoor of kapelaan. Ze leerden de catechismus: een boekje met meer dan 500 vragen en antwoorden over het katholieke geloof.
De eerste vraag in de catechismus was: “Waartoe zijn wij op aarde?”
Honderd jaar geleden was het antwoord: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen.”
Dat werd na de oorlog toch wel een beetje raar gevonden als enig doel van het leven. Men veranderde dat antwoord toen in: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn.”
Aan het einde van de basisschool hoorde je alle antwoorden uit je hoofd te kennen. Of nou ja, dat was de bedoeling…
Thuis
Bij mensen thuis zag je meteen dat ze katholiek waren. Aan de muur hangt een crucifix: een kruisbeeld met de gekruisigde Jezus en in elke slaapkamer een wijwaterbakje gevuld met (door een priester) gewijd water. Voor het slapen gaan doop je er de top van je vingers in en maak je een kruisteken. In de huiskamer staat vaak een Heilig Hartbeeld.
Voor en na het eten wordt er samen gebeden: meestal een Onzevader en een Weesgegroetje. ’s Avonds gaan ze met z’n allen op de knieën om een ‘rozenhoedje’ te bidden: 5 onzevaders en 50 weesgegroetjes, in hoog tempo. Een rozenkrans helpt om de tel niet kwijt te raken.
Voor het slapen gaan kniel je bij je bed voor een avondgebed en je kunt vertrouwen op je ‘engelbewaarder’, die je beschermt tegen gevaren.
Het geloof was niet alleen iets waar je in geloofde, maar ook iets wat elke dag terugkwam en zorgde voor houvast en een veilig gevoel.
Kerken
In Aalst en Waalre gaan de mensen al meer dan duizend jaar naar eigen kerkjes. In Waalre staat de Oude Willibrorduskerk nog steeds fier overeind. Een kerk die al zó lang bestaat — dat is best bijzonder!
In Aalst stond vroeger het Onze-Lieve-Vrouwekerkje, maar dat werd in 1906 afgebroken.
De mensen zamelden geld in voor grote, moderne kerken. In 1906 opent de Onze-Lieve-Vrouw-Presentatie kerk aan de Eindhovenseweg in Aalst. In 1925 in Waalre de nieuwe Sint Willibrorduskerk aan de Markt.
Veldkapellen
Een veldkapel is geen kerk, maar een klein bouwwerkje met een beeld van een heilige, vaak Maria. Je vindt ze langs de weg. Mensen kunnen er even stoppen voor een kort gebed of moment van stilte. In de gemeente Waalre vind je er twee:
De Mariakapel in Aalst
Deze kapel wordt in 1937 opgericht door de Jeugdbeweging. Na enkele verhuizingen staat hij nu op de hoek van de Raadhuisstraat en de Kerkhoflaan.
De Mariakapel in Waalre
Twee dienstplichtigen (Wim de Bruijn en Gradus Vughts) worden in 1947 opgeroepen voor de oorlog in Nederlands-Indië. Hun ouders beloven een Mariakapel te bouwen als hun zonen veilig terugkomen. Dat gebeurt en sinds 1950 staat deze kapel in de voortuin van Molenstraat 33.
Processies
Een processie is een plechtige optocht van priesters en gelovigen, waarbij vaak een heiligenbeeld of de hostie in een monstrans wordt meegedragen. Zulke optochten waren vroeger heel gewoon in katholieke dorpen. De bedoeling was om samen te bidden en stil te staan bij het geloof, maar het was ook een leuk uitje.
Ook vandaag de dag bestaan er nog processies. Een bekend voorbeeld in onze omgeving is de Handelse processie, een jaarlijkse voettocht van 40 km van Valkenswaard via Aalst naar het Mariabedevaartsoord Handel. Maria is daar volgens de legende in de veertiende eeuw verschenen aan een schaapherder. Mensen zoeken op die plek al eeuwen lang genezing tegen ziektes zoals de pest. Onderweg worden de deelnemers begeleid door een harmonie. Er rijden huifkarren mee voor wie het niet volhoudt. De groep overnacht in Handel en keert de volgende dag te voet terug naar huis.
Zouaven
Rond 1860 riep paus Pius IX jonge katholieke mannen op om de Kerkelijke Staat te verdedigen tegen de Italiaanse troepen van Garibaldi. De duizenden vrijwilligers die hieraan gehoor gaven werden Zouaven genoemd. Bijna een derde van hen kwam uit Nederland!
Ook uit Aalst en Waalre kwamen ze, onder wie Wilhelmus en Adrianus van de Moosdijk, Johannes Verhoeven en Johannes van Gastel. Zij overleven hun avontuur en keren als helden terug. Bij processies lopen ze trots mee in hun oude uniform, als levende herinnering aan hun inzet voor geloof en paus.
Het Patronaat
In 1930 telt Nederland zo’n 500 patronaten: katholieke verenigingen die zich richten op de vorming en het vermaak van jongeren. Patronaten hebben meestal een eigen gebouw met een grote zaal, waar toneelvoorstellingen, gymnastieklessen en feestavonden worden georganiseerd. Alles gebeurt onder het toeziend oog van de kerk — plezier mag, maar het moet wel ‘netjes’ blijven.
Ook in onze gemeente verrijzen rond 1930 twee patronaatsgebouwen: in Aalst aan de Dorpsstraat 8-12 en in Waalre dicht bij het Oude Willibrorduskerkje. Jongeren komen hier samen om toneel te spelen, spelletjes te doen of om te dansen.
Het patronaat was een veilige plek waar geloof, gemeenschap en ontspanning samenkwamen.
Kloosters
In Aalst en Waalre komen in de twintigste eeuw twee nonnenkloosters.
Het Klooster in Aalst
In 1908 bouwen de Zusters Franciscanessen uit Veghel een klooster aan de Dorpsstraat. Ze beginnen daar een meisjes- en kleuterschool. Later zorgen ze ook voor ouderen in het Bernardusgesticht, in de volksmond het Liefdesgesticht. In 1959 starten ze de Heilig Hartschool. Nu is er in het oude klooster een Zorgvilla voor ouderen.
Het Klooster in Waalre
De Zusters van Liefde uit Den Bosch openen in 1912 een klooster aan de Hoogstraat. Hier starten ook zij een meisjes- en kleuterschool. Het schoolgeld is 30 cent per leerling per maand, maar ‘minvermogenden’ kunnen korting krijgen. In 1973 verhuizen de laatste nonnen naar bejaardenhuis De Hoevenakkers. Het klooster wordt aan de gemeente verkocht. Die probeert er een gemeenschapshuis van te maken, maar dat blijkt moeilijk zonder subsidie. Tegenwoordig zijn er zorgappartementen in ondergebracht.
Nonnen
Tot 1960 kiezen veel katholieke meisjes ervoor om non te worden. Ze legt dan een bijzondere belofte af: om trouw te zijn aan haar klooster en aan Jezus. Daar hoort zelfs een trouwring bij — alsof ze ‘getrouwd’ is met Jezus. Daarmee kiest ze ervoor om de rest van haar leven in een klooster te wonen en te werken.
Nonnen doen goed werk. Ze geven les op school en verzorgen zieken en ouderen. Ze doen dat niet voor geld, maar uit liefde voor anderen.
Ontkerkelijking
In de jaren zestig komt aan het Rijke Roomse Leven een einde. Dat was een revolutie die niemand zag aankomen. Het Tweede Vaticaans Concilie in Rome (1962-1965) probeert het geloof aan de nieuwe tijd aan te passen. Ze versoepelen de strikte regels. De mis wordt niet meer in het Latijn, maar in het Nederlands gevierd. Gregoriaanse gezangen worden vervangen door Beatmissen.
In die tijd neemt ook de welvaart spectaculair toe: mensen krijgen meer geld en meer vrije tijd. En ze laten zich niet meer door de kerk voorschrijven hoe ze moeten leven. Katholieken gaan op zondag niet meer automatisch naar de kerk, ze gaan niet meer biechten en kinderen kiezen er niet meer voor om priester of non te worden. De kerk wordt iets voor speciale gelegenheden: een nachtmis met Kerstmis, of bij trouwen, dopen of begraven. Maar hij speelt geen rol meer in het leven van elke dag.
Ook in Aalst en Waalre
Ondanks de ontkerkelijking wordt in 1981 in Aalst in de snel groeiende wijk Ekenrooi nog een nieuwe kerk gebouwd: de Christoffelkerk. Maar de tijd van grote, volle kerken is dan eigenlijk al voorbij. En in 2008 sluit de Christoffelkerk al weer.
In de 21e eeuw zijn er zo weinig priesters dat in 2014 vijf dorpen (Aalst, Waalre, Valkenswaard, Dommelen en Borkel en Schaft) hun parochies samenvoegen. Als er al priesters zijn, komen ze nu steeds vaker uit het buitenland. Vroeger stuurde Nederland missionarissen de wereld in, maar nu is Nederland zelf een missiegebied geworden.