Regenrivier
De Maas is een regenrivier die zijn oorsprong vindt op het Plateau van Langres in Frankrijk. Vanaf de bron tot aan de Noordzee legt het water een afstand van 940 km af, het stroomgebied beslaat 36.000 km2. De rivier bereikt het hoogste peil in de winterperiode. Midden in de zomerperiode, vooral na een periode met weinig neerslag, was de waterstand laag waarbij de rivier op meerdere plaatsen doorwaadbaar was. De betekenis van de Maas kon niet los worden gezien van de rivier de Waal en in mindere mate van de andere rivieren in het Nederlandse rivierengebied. Vanaf de eerste eeuw van onze jaartelling ontstonden er tussen Heerewaarden en Rossum een drietal verbindingen tussen beide rivieren: het Voornsche gat en het Waalgat die in 1734 werden gesloten en het Schanse Gat dat in 1854 werd gesloten, waarbij in de jaren 1854-1856 bij St. Andries een schutsluis werd gebouwd. Deze sluis werd in 1934 vervangen door de huidige, dieperliggende sluis.
Door deze verbindingen stroomde er gedurende vele jaren extra water de Maas in, waardoor de waterstand in de Maas verhoogd werd en dijkdoorbraken en overstromingen het gevolg waren. Naast de rivieren was en is de invloed van de zee in de omgeving van ’s-Hertogenbosch merkbaar; zelfs anno 2021 is er nog verschil van 10 tot 15 cm tussen eb en vloed meetbaar bij het gemaal van Gewande! Dit werkt stroomopwaarts door tot aan de eerste stuw in Lith.
De beken en de meeste polderweteringen rondom ’s-Hertogenbosch voerden hun water uiteindelijk via de Dieze af naar de Maas. De afvoer van het water uit de beken was daarbij afhankelijk van het waterpeil in de Maas. Bij hoogwater in de Maas traden dan ook met enige regelmaat overstromingen in de beekdalen op.
Bedijking
Tot ca. 1100 was de Maas niet bedijkt. Na de stormvloed vanuit zee in 1134 werd de bedijking van de Maas ter hand genomen. De opbouw van de dijken begon in het westen, aan de zeezijde. Als een dijktraject klaar was legde men aan het einde daarvan een dwarsdijk aan, (ook wel zijtwende, zegedijk of zeedijk genaamd). Deze dwarsdijk, die de Maasdijk koppelde aan de achterliggende, hogere gronden, voorkwam dat Maaswater vanaf de zijkant de polders inliep. De Groenendijk tussen Berghem en Haren is er een voorbeeld van; deze dwarsdijk kwam in 1331 gereed.
Omstreeks 1350 waren de Maasdijken opgebouwd tot Grave. Stroomopwaarts van Grave vond men dijken niet zozeer nodig omdat de rivierduinen en de oeverwallen hier hoog genoeg waren om de rivier in toom te houden. De oeverwal tussen Cuijk en Katwijk en tussen Groot Linden en Gassel, buurtschappen gelegen in de vroegere gemeente Beers, was echter laag waardoor op deze plaats de rivier bij hoge waterstanden buiten haar oevers kon treden. Dit gebeurde in nagenoeg elk winterseizoen, met name in strenge winters gepaard gaande met de vorming van ijsruggen en -dammen. Hierover lees je meer in het venster De Beerse Maas.
Mocht u op- en aanmerkingen hebben, dan kunt u contact met ons opnemen via het emailadres: watermuseum@kringvrienden.nl.