Jager-verzamelaars
Bij de aanleg van verkeersplein Leenderheide vinden archeologen pijlpunten en kampresten. Ook in de Malpie zijn vondsten gedaan van speerpunten, messen en vuistbijlen. Zo weten we dat hier lang geleden al mensen leefden. Uit DNA-onderzoek weten we dat ze een donkere huid hadden en blauwe ogen.
De natuur bestaat dan net als nu uit bossen en heidevelden. Maar de Amerikaanse eik of vogelkers zijn er natuurlijk nog niet. Er leven nog dieren zoals elanden, oerossen en edelherten, naast de soorten die we nu kennen. Konijnen worden pas door de Romeinen vanuit Spanje door heel Europa verspreid.
De mensen wonen in tijdelijke hutten. Ze zetten palen in een cirkel in de grond en bedekken die met takken, gras en modder om een stevige muur te maken. Dit biedt bescherming tegen het weer en wilde dieren. Wanneer ze verder trekken breken ze hun hut af en nemen de onderdelen mee.
Ze leven in kleine groepen van zo’n 25 mensen. De mannen jagen met pijl en boog, en met speren. De vrouwen verzamelen planten, bessen, paddenstoelen en eieren van ganzen en eenden.
Kinderen helpen mee met het verzamelen. Grotere jongens gaan met de mannen mee op jacht. Als ze met een groot dier thuiskomen, betekent dat eten – maar ook veel werk. Alles van het dier wordt gebruikt. Het vlees wordt gegeten, van de botten maken ze gereedschappen. Van de huid maken ze kleding.
Boeren
Na de laatste ijstijd, zo’n 12.000 jaar geleden, ontstaat landbouw in warme en vruchtbare streken als het Midden-Oosten. Mensen ontdekken dat je op één plek kunt blijven wonen om daar voedsel te verbouwen en dieren te houden. In de duizenden jaren daarna verspreidt dit zich over de wereld en zo’n 5000 jaar geleden bereikt het ook onze omgeving.
Bossen worden afgebrand of gekapt om ruimte te maken voor akkers. Na de oogst laten ze daarop het vee, zoals koeien, schapen en varkens grazen. Het boerengezin en hun dieren leven onder één dak.
Mensen worden begraven in een ‘boomkist’, een uitgeholde boom. Later worden ze ook verbrand. De as wordt in urnen verzameld en bijgezet in grafheuvels, zoals bij Toterfout in Veldhoven.
De Romeinen
Rond 50 voor Christus verovert Julius Caesar Gallië, ongeveer het huidige Frankrijk. Hierbij dringt hij ook door in ons land. De grens van het Romeinse Rijk komt aan de Rijn te liggen. In de eerste eeuw na Christus zijn er in onze omgeving enkele boerderijen van hout en leem.
Eén bewoner kiest voor een carrière in het Romeinse leger en krijgt daardoor het Romeins burgerrecht. Na zijn diensttijd krijgt hij een bronzen ‘diploma’, dat in 2008 gevonden is bij een opgraving in Hoogeloon. Hij keert terug als rijke veteraan en bouwt een stenen villa met vloerverwarming en een bad. Na zijn dood wordt hij begraven in een grote grafheuvel, de Kabouterberg. Ook in onze gemeente zijn er Romeinse resten gevonden, zoals waterputten in Aalst en bij Loon.
De Vroege Middeleeuwen
Na het jaar 400 trekken de Romeinen weg. De grond raakt uitgeput en het leven wordt moeilijker. Veel mensen verhuizen naar het zuiden, waar de grond vruchtbaarder is. Hierdoor ontstaan er in onze regio weer meer bossen.
Ondertussen vestigen de Franken (een verzameling van Germaanse stammen) zich in het gebied dat we nu Frankrijk noemen. Onder hun invloed wordt het drieslagstelsel ingevoerd in de landbouw. Dit zorgt ervoor dat de grond elk derde jaar niet wordt bebouwd, zodat die zich kan herstellen. Vanaf 600 komen er weer meer mensen in onze omgeving wonen.
In de 7de en 8ste eeuw komen missionarissen uit Engeland naar onze streken om de bevolking tot het christendom te bekeren. Een bekende missionaris is Willibrord die in 704 hij het houten Willibrorduskerkje in Waalre laat bouwen. Zie hiervoor het venster Willibrord.