Maria van Aerden en het Hofje van Aerden

Welgestelde burgers in de armenzorg

Maria van Aerden, haar meisjesnaam was Ponderus, was geen Leerdamse. Zij had bijna heel haar leven in Den Haag gewoond. Rijk was ze geweest en meelevend met de armen, vooral die uit haar familie en uit die van haar man. Toen Maria op 20 april 1764 op 92-jarige leeftijd overleed, had zij al besloten haar aanzienlijk kapitaal te bestemmen voor het oprichten van een vrouwenhofje voor arme familieleden. En mochten die er niet zijn, dan kwamen vrienden en vreemden in aanmerking, mits van protestantse huize en van het vrouwelijk geslacht. De enige man die er mocht wonen was de binnenvader, de huismeester. Alleen, Maria had niet voorzien dat haar hofje niet in Den Haag, maar in Leerdam zou worden opgetrokken.

 

Haar erfgenamen woonden allen in Leerdam. Daniel de Villeneuve en Paulus Droogleever kregen het voor elkaar om het vrouwenhofje in de glasstad te laten bouwen, op het terrein van het vroegere kasteel. Het 131 voet lange en 105 voet brede (circa 40 bij 32 meter) onderkomen voor elf vrouwen opende op 1 november 1773 de deuren en had 39.249 gulden en één stuiver gekost. Bijna tienduizend gulden meer dan in kas was. Maar Maria Ponderus had ook nog drie morgen en een hond weiland in het Haagse Bos nagelaten en een stapeltje obligaties dat pacht en rente opbracht. Met die inkomsten kon het Hofje worden onderhouden en konden de vrouwen worden bedeeld.

De bewoonsters kregen een vertrek van 16 voet in het vierkant toegemeten (nog geen 6 vierkante meter), buiten de trap en de bedstee gemeten. Onder de bedstee was een keldertje aangebracht en op de zolder stond een kribbe, die verschoven kon worden. Een bedstee op zolder was met het oog op ongedierte verboden. Op de plaats stond het gemeenschappelijke toilet 'met twee zittingen' en de waterpomp. En op de 'vrolijke dagen', de geboorte- en sterfdag van de stichteres, kregen ze een extraatje. Dan lag er meer brood op het bord en vlees en klonken de vrouwen met goed gevulde wijnglazen.

De zorg die de rijkeren boden, was natuurlijk niet toereikend. Wie ziek was, oud of zonder werk zat, klopte aan bij de diaconieën van de verschillende kerken; was je geen lidmaat, dan ging je voor steun naar de burgerlijke armmeesters. Aanvankelijk kreeg iedereen hulp, maar in de zestiende eeuw veranderde dat. Er kwamen meer en meer armen bij. Wie kon werken, moest zelf maar uit de sores zien te komen. Er werd zondermeer van uitgegaan dat alle leden van een gezin bijdroegen aan het inkomen, ook de vrouw en de kinderen boven de zeven jaar. Kwam je dan nog tekort, dan werd je geacht eerst bij de buren aan te kloppen of bij familie, voordat je naar diakenen stapte.

De kerkelijke steun was bestemd voor mensen voor wie er echt geen enkele hulp meer was, oude vrouwen vaak en blinde bejaarde mannen. Voor hen ging tijdens elke kerkdienst de collectebus rond. Met dat geld werd de dagelijkse portie soep betaald, dat ene brood in de week en de huur van het armenhuisje, waarin zij woonden. Had je nieuwe sokken nodig, of schoenen, dan liet je je versleten spullen aan de diakenen zien. Waren ze overtuigd, dan kreeg je nieuwe. Kinderen, die van de ene dag op de andere zonder vader en moeder kwamen te zitten, werden ondergebracht bij andere gezinnen. Deze weeskinderen moesten meehelpen op het land en als tegemoetkoming in de kosten kregen de gastgezinnen extra turf, een heel brood en een handjevol zilveren guldens.