Geld maakt macht

“Naeckt kom ick, naeckt scheyde ick”

Hij wilde maar wat graag bij de Dordtse elite horen. En ambachtsheer zijn, want dat gaf aanzien. Maar ja, hoe doe je dat als je maar van eenvoudige komaf bent? Juist: met een goed stel hersens en vrouwen uit een goed nest. En vervolgens word je geldschieter…

De pastoor en zijn huishoudster
Arend Maertenszoon werd in 1555 in Dordrecht geboren als zoon van een pastoor en diens huishoudster. Hij vond dat geen afkomst om trots op te zijn, temeer omdat katholieke geestelijken niet geacht werden om met hun huishoudsters te scharrelen. Arend ging eronder gebukt dat hij niet door zijn vader was erkend.

Dat nam niet weg dat hij een goede scholing kreeg, misschien zelfs op de Latijnse school in Dordrecht. In 1587 werd hij de rechterhand van de thesauriers, de schatkistbewaarders van de stad. Hij zou zich veertig jaar lang met de financiën van de stad bezighouden en daarmee onmisbaar zijn voor het stadsbestuur.

Na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde hij in 1618 met de dochter van een vermogend schepen uit Antwerpen. Binnen vijf jaar werd Arend opnieuw weduwnaar. Als inmiddels 68-jarige hertrouwde hij in 1623 met de twintig jaar jongere en zeer gefortuneerde Clementia van Beaumont, ambachtsvrouw van Kleine Lindt. Hiermee kwam hij in familiekringen van bekende Dordtse geslachten als Van Beaumont, Van Beveren en De Witt terecht en was de politieke elite van Holland binnen zijn bereik. Ook kwam door dit huwelijk het ambacht Kleine Lindt in de Zwijndrechtse Waard onder zijn invloed, wat een welkome aanvulling was op de ambachten Schobbelands-Ambacht en Barendrecht, die hij eerder al in zijn bezit had weten te krijgen.

Schobbelands-Ambacht
Het eigendom van de heerlijkheid Schobbelands-Ambacht verwierf hij op 14 oktober 1603 op niet zo’n fraaie manier. In 1599 overleed de Dordtse burgemeester Adriaan van Blijenburgh, heer van Schobbelands-Ambacht. Zijn weduwe Alijdt Wijntgis raakte hierna diep in de schulden. Op onderpand van haar huisraad leende ze geld bij de Dordtse Bank van Lening, waar Arend een van de grootste aandeelhouders van was. Hierdoor had hij goed zicht op het wel en wee van de clientèle van de bank. De weduwe Van Blijenburgh had meer geld nodig om het hoofd boven water te kunnen houden. Ze sloot bij Arend privé een lening af van 1.150,00 gulden, in die tijd een bedrag waar je een behoorlijk huis voor kon kopen. De lening moest al na een halfjaar worden terugbetaald, inclusief een rente van 6,25 procent.

Van een bankierseed hadden ze in die tijd nog nooit gehoord; Arend wist héél goed dat dit een wurgcontract was en dat de weduwe die lening niet zou kunnen terugbetalen. Maar hij had zijn zinnen gezet op de van haar man geërfde ambachtsheerlijkheid Schobbelands-Ambacht, dat als onderpand voor de lening diende. De weduwe Van Blijenburgh restte een halfjaar later dan ook geen andere keus dan afstand te doen van het ambacht ten behoeve van haar inhalige geldschieter. Arend werd hierdoor heer van Schobbelands-Ambacht, wat hem het aanzien gaf waar hij al zo lang naar op zoek was.

De kerkenraad grijpt in
Het veelvuldig verstrekken van leningen aan particulieren tegen een woekerrente werd Arend door de kerkenraad niet in dank afgenomen. Ze ontzegden hem vanwege 'onbehoorlijcke interest' de toegang tot het avondmaal. Hij was daar kennelijk niet erg van onder de indruk, want die ontzegging zou maar liefst vier jaar duren.

Toen Arend tegen de zeventig liep en hij zich realiseerde dat hij ook wat goeds in zijn aards bestaan moest hebben gedaan, deed hij iets terug voor de gemeenschap. Hij liet een hof bouwen voor behoeftige, alleenstaande vrouwen. Dit kwam in 1625 gereed en bestaat nog steeds: het Arend Maartenshof, vernoemd naar de oprichter. De bewoners ervan worden al vierhonderd jaar verwelkomd met de tekst boven de toegangspoort: ‘Naeckt kom ick, naeckt scheyde ick’.

Daar kwam Arend misschien een tikkeltje laat achter. Hij overleed in 1629.