Anna Maria Agnes (Agnes) van Ardenne-van der Hoeven

3D-benadering: Defense, Diplomacy, Development en Publiek-private-partnerschap

Agnes van Ardenne (CDA), geboren in 1950, was van 2002 -2007 verantwoordelijk voor Ontwikkelingssamenwerking. Eerst als staatssecretaris (2002-2003) daarna als minister. Zij zag vooral hoe ontwikkeling werd gefrustreerd door geweld, conflicten en onveiligheid. Haar ministerschap begon in de grimmige periode na 11 september 2001. Met de aanslagen op Amerikaans grondgebied op het netvlies, zetten de Verenigde Staten onder president Bush alle kaarten op een oorlog tegen het (islamitisch) terrorisme.

Van Ardenne legde haar beleid neer in de nota ‘Aan elkaar verplicht’. Zij verminderde het aantal ontwikkelingslanden waarmee Nederland samenwerkte tot 36 landen. De focus lag daarbij op landen als Soedan, waar al tientallen jaren verschillende burgeroorlogen woedden die elke vooruitgang de kop indrukten. Zij probeerde te bemiddelen tussen de strijdende partijen en maakte zich hard voor de inzet van ontwikkelingsgeld voor militaire vredesmissies. Onder Van Ardenne kreeg het idee van de Dutch Approach gestalte, ook wel bekend als de 3D-benadering: Defense, Diplomacy, Development. Oftewel: de diplomaten van Buitenlandse Zaken moesten zich richten op politieke oplossingen van conflicten en het ministerie van Defensie moest bijdragen leveren aan militaire operaties die de veiligheid in een bepaald land konden bevorderen. Tot slot zou Ontwikkelingssamenwerking ervoor zorgen dat de mensen het beter krijgen, waardoor zij minder redenen hebben om weer te gaan vechten.

Maatschappelijke organisaties & bedrijfsleven
Van Ardenne wilde meer aandacht voor het bedrijfsleven. Meer dan Herfkens, die zich vooral richtte op de macro-economische voorwaarden die economische groei in het Zuiden konden bevorderen, focuste Van Ardenne op het stimuleren van de private sector zelf. Daarnaast hechtte zij grote waarde aan het vormen van (‘publiek-private’) partnerschappen, tussen overheid, bedrijfsleven en met maatschappelijke organisaties.

In 2005 besloot Van Ardenne het medefinancieringsstelsel voor Nederlandse ontwikkelingsorganisaties nog verder te openen. Voor de periode 2006-2010 kregen ruim 50 particuliere organisaties een bedrag van 2,1 miljard euro te besteden aan ontwikkelingsprojecten. Niet-gouvernementele organisaties (NGO´s) kwamen steeds meer in de schijnwerpers te staan. Er bleek een kloof tussen de professionele, soms duurbetaalde praktijk van ontwikkelingsorganisaties en het sympathieke beeld van liefdewerk-oud-papier dat bij het publiek nog steeds bestond over de sector.

De ‘politieke’ benadering was gericht geweest op verandering van de machtsverhoudingen op de lange termijn, waarbij de concrete invloed van bepaalde onderdelen van het ontwikkelingsbeleid moeilijk aan te tonen was. Die benadering was lastig te ‘verkopen’ aan het publiek. Om donateurs te werven hadden de ontwikkelingsprofessionals de complexe realiteit altijd relatief simpel neergezet. Dat kregen ze als een boemerang terug. In reactie is een ‘meten-is-weten’ cultuur ontstaan: tot in detail moeten vooraf stappenplannen worden ingediend en tussentijds en achteraf moeten al die acties in cijfers en feiten worden omgezet. Dat leidt tot risicomijdend gedrag en pseudo-zekerheid: het is immers onmogelijk om de zo complexe vooruitgang van een gehele economie, maatschappij of democratie in een land (Nederland of elders) toe te schrijven aan specifieke factoren.

Naar de kritiek op de huidige praktijk is er tegelijkertijd sprake van een voortdurende betrokkenheid van burgers bij mensen ver weg. Donaties voor goede doelen zijn al jaren constant. Ook is er een toename van particuliere ontwikkelingsprojecten, initiatieven van mensen die in geld of natura willen bijdragen. Ook op milieugebied gebeurt er veel, er is een brede beweging voor duurzaam consumeren, en op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt vooruitgang geboekt.

Ontwikkelingsdenken
De nadruk op meetbare resultaten past ook bij de opzet van de Millenniumdoelstellingen die wereldwijd werden omarmd als leidraad voor ontwikkelingsinspanningen.

Nota: 

Bronnen: 

 Extra: