Tijd van ontdekkers en hervormers

Ben ik van Dietse bloed

Venster 29: Geschreven door Bernadette Verhoef.

Er is nog zoveel niet bekend over de mensen die de afgelopen vijftig eeuwen hier leefden. Beelden lichten slechts een tip van de sluier op. Een schilderij van een fraai grachtenpand of foto’s van een 19e eeuwse arbeidersbuurt vertellen niets over hoe op straat gesproken werd. Het geleidelijke ontwikkelingsproces van het Nederlands als taal is niet goed na te gaan omdat tot rond het jaar 1000 vrijwel alles in het Latijn werd opgeschreven.

Versta je mij? (Zie afbeeldingen 29.1. en 29.2.)

De eerst overgebleven ‘Nederlandse’ teksten dateren uit 1170. Van vóór die tijd is slechts dat ene zinnetje ‘hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu. uuat unbidan uue nu’ bekend.  Het betekent: hebben alle vogels nesten begonnen behalve jij en ik. Waarop wachten we nu? Hoe zullen die woorden geklonken hebben?

Tot 1500 sprak men van ‘Diets’, als men het had over de taal die naast het Latijn gebruikt werd. Thuis sprak men dialect. De Friezen die al voor de Romeinse tijd langs de gehele Noordzeekust woonden hebben eeuwenlang hun sporen nagelaten in de taal. In de 16e eeuw lag het economisch en bestuurlijk zwaartepunt echter in de zuidelijke Nederlanden. Het Vlaams en Brabants kregen langzamerhand meer invloed op het Hollands-Utrechts. Vanaf die tijd kwam ook het streven op gang om een algemene schrijftaal te ontwikkelen die in meerdere gebieden bruikbaar was. Die taal moest de mensen samenbrengen onder één gezag. De 16e eeuw was ook de tijd van de Reformatie. Vooral de Bijbelvertalingen en religieuze traktaten werden in een algemene schrijftaal geschreven. Bij de Statenvertaling van 1637 werd voor het eerst van Nederlandsch gesproken. Het was de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Andere, seculiere, werken werden in het Nederduytsch, kortweg Duytsch geschreven. Het zou nog tot 1804 duren voordat de eerste officiële spelling van het Nieuwnederlands verscheen. Kenmerkend is dat vanaf toen de y als ij werd geschreven. Mensen uit de hogere klasse van Holland gebruikten vanaf toen steeds meer de standaardtaal. Vanaf 1814 wordt het woord ‘Nederlands’ gebruikt als beschrijving van iets dat betrekking heeft op ons land.

In Alphen en omstreken werd het Rijnlands dialect gesproken dat niet te vergelijken was het stadse dialect dat in Leiden te horen viel. De Leerplichtwet van 1901 zorgde ervoor dat iedereen met de schrijftaal te maken kreeg. Mede door de opkomst van kranten en later de radio werd de geschreven taal langzamerhand ook de gesproken omgangstaal. Zo verdween voor de Tweede Wereldoorlog het Rijnlands steeds meer als voertaal. Wat overbleef waren ‘taalfouten’ die toen en nu op school veelvuldig gecorrigeerd werden: ‘hij wast z’n eigen’, ‘ze legge al in bed’ en ‘wij kunne niet komme’.

Cornelis de Vos, boomkweker uit Hazerswoude-Dorp ( beschreef in dialect een gesprek met zijn buurman Jan Pouwelse. Jan had een turbulent leven. Na een tijd in het leger gediend te hebben, werd hij boerenknecht bij een weduwe. Later zou hij met haar trouwen. Door een spaarzaam leven kwam hij goed bij kas te zitten.

Jan leefde met al zen duiten zoomaar eenvoudig heen. Ze atten altaid, behalve Sundags, uit rooië schuttels. ’t Eenigs moois, dat op tafel kwam, was een zulvere vurk, daar at de baas mee, omdat ie die van zen oome geürfd had. Niet, dat ie daarom sikkeneurig was, maar ie had en hekel an al die groozigheid, die die van zen bure zag. Hai hield wel van fesoenlikke kleeren, maar wat al die tierelantaintjes kosten, zai die, geef ik liever an de arme. En dat deed ie ok.

Met zen knegs most ie nog al tobben. Nou, dat ebeurt teugenwoordig wel meer An den een scheelde dut, an den ander dat. Zoo had die er is een, dat was en rechte vreetzak. As die ’s ochens drie dikke stikken (boterhammen) met dikke butter en kaas ophad, dan stool ie op zolder nog een brok rookvlais en snee rouw speek, en vrat dat ok nog op.

Gelijksoortig maar niet hetzelfde (Zie afbeelding 29.3.)

Eerder dan het dialect verdween de Rijnlandse dracht. Rond 1900 droegen alleen oudere vrouwen nog een van de mutsen waaraan de streekdracht te herkennen viel. Mannen waren zich al een halve eeuw eerder minder hetzelfde gaan kleden. Hun dracht bestond uit een zwart lakens pak met een zwarte pet.

Ook streekdracht is aan veranderingen onderhevig. De rokken en jakken en later de jurken die vrouwen droegen gingen met enige afstand met de stadse mode mee. Op het platteland veranderde het leven minder snel. Daar was men veelal te arm voor en wellicht ook wel teveel gehecht aan het oude vertrouwde. Op foto’s zie je dan ook vrouwen van verschillende leeftijden verschillende modes dragen.

Met name plattelandsvrouwen droegen eeuwenlang dezelfde  dracht. Er. waren grofweg gezegd twee klassen: de rijke boerinnen, tuinders- en koopmansvrouwen en de armere boerinnen en arbeidersvrouwen. Dit was onder andere aan het materiaal van hun jakken, rokken, kap en sieraden te zien. Zo is streekdracht ook een communicatiemiddel, het vertelt veel over de vrouw: haar stand, haar geloof en of ze in de rouw was  Door het grote aantal kinderen dat stierf, waren sommigen jarenlang in de rouw.

(Zie afbeeldingen 29.4. en 29.5.)

Over de Rijnlandse dracht in de 16e en 17e eeuw is weinig bekend.  Eind negentiende eeuw waren zwarte en donkere stoffen erg populair. Ten onrechte wordt soms gedacht dat deze donkere kleuren bij de Rijnlandse dracht horen. Halverwege de 19e eeuw droeg men juist kleurrijke en fleurige stoffen.

Vrouwen droegen in die tijd veelal een jak met haken en ogen en meerdere rokken. Oude rokken werden vaak onder de nieuwe gedragen. Dat was lekker warm. De bovenste onderrok was een witte. In de rok zat in de zijnaad een opening waardoor de vrouw bij een losse zak die om de middel was gebonden of tas kon die aan een van de rokken was bevestigd. Die tassen waren prachtig geborduurd of van kraaltjes geweven en werden niet bij het doordeweekse werk gedragen. Een hemd of borstrok, broek met klep, zwarte sokken tot aan of over de knie,  klompen en een schort maakten de dracht af. Schoenen werden alleen naar de kerk gedragen.

Het meest kenmerkend van de dracht was de kap. Door de week droegen de vrouwen en meisjes een simpel Hollands hulletje van geborduurd batist, katoen en later tule over een zwarte ondermuts waarvan de punten omhoog werden gespeld, een mopmuts. Zondags en bij speciale gelegenheden werd een korte of lange kap met kantenstrook gedragen. Over de kap kon een zwart hoedje worden gedragen: een capothoedje naar het Franse chapot. Bij deze kap hoorden sieraden zoals gouden of zilveren boeken, de oorijzers. Meisjes spaarden vanaf hun 12e of13e jaar voor deze sieraden als ze die tenminste  niet van hun ouders kregen. Protestantse meisjes droegen kap en boeken vanaf hun belijdenis rond hun 18e jaar, katholieke meestal iets eerder. Na 1880 raakte de dracht in onbruik mede vanwege de hoge kosten van aanschaf.