Tijd van steden en staten

De Nederlanden

Venster 7: Geschreven door Arjan van't Riet.

Het westen van Nederland ligt voor een belangrijk deel onder zeeniveau. Zonder dijken en bemaling zou het land enkele meters onder water staan. Maar, dat is niet altijd zo geweest. Voor de ontginning lag het veengebied een aantal meters boven de zeespiegel. Het overtollige water stroomde via de veenriviertjes zoals de Meije en de Aar en de Wilck natuurlijk af naar de Rijn en vandaar naar zee. In de middeleeuwen begonnen de inwoners het gebied te ontginnen.

(Zie afbeeldingen 7.1., 7.2. en 7.3. verdeeld over het verhaal)

Ontginning

De ontginning gebeurde meestal vanaf de oevers van de Rijn door het graven van lange sloten die op vaste afstanden evenwijdig van elkaar liepen. Hierdoor ontstond het nog steeds herkenbare patroon van weilanden en kavelsloten. Door de sloten werd het water sneller afgevoerd en kon het land in gebruik worden genomen voor de akkerbouw en veeteelt. Een belangrijk nadeel was echter dat het gebied daalde door inklinking. Zolang het nog maar hoger lag dan de klei langs de Oude Rijn was dit geen probleem, maar toen het maaiveld daalde tot het niveau van het waterpeil van de Rijn ontstonden er problemen. Vooral in periodes van veel regen en een hoge waterstand in de Rijn bleef het water op de weilanden staan. Het land werd steeds drassiger en om het te beschermen tegen overstroming werden er kaden aangelegd om het rivierwater te weren. Zo werden polders gevormd. Een polder is een gebied begrensd door een waterscheiding, zoals een kade, dammen of sluizen, waardoor de waterstand binnen het gebied kan worden geregeld.

Polders

De eerste Rijnlandse polders ontstonden halverwege de 14e eeuw langs de Gouwe. Het waren door kade omringde percelen land met spuisluizen, die hun overtollig water loosden op afvoerkanalen. Het water in de afvoerkanalen werd bij laag water naar de Hollandse IJssel afgevoerd. In eerste instantie werd bij het lozen gebruik gemaakt van lage waterstanden, maar naarmate het maaiveld van de polder verder daalde moest bemaling worden ingezet om het overtollige water kwijt te raken. Er werden hoosvaten, tredmolens en paardenmolens gebruikt voor dit werk. Vanaf het begin van de 15e eeuw deed de windmolen zijn intrede in de Hollandse polders. Een groot deel van Rijnland lag in die tijd nog zo hoog dat afwatering op natuurlijke wijze kon plaatsvinden. Er waren al polders met een molen en zo ontstond een gebied van aaneengesloten polders, laaggelegen gebieden die hun water op kunstmatige wijze loosden op de boezem. Een boezem is het gebied waar het water tijdelijk wordt opgeslagen voordat het naar zee of op een rivier kan worden geloosd. Het boezemgebied bestaat uit meren, rivieren en kanalen. Natuurlijk moest voorkomen worden dat het water in de boezem teveel zou stijgen waardoor het gebied zou overstromen. Daarom was het plaatsen van molens vanaf 1460 onderworpen aan een vergunning van Dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland. In de 16e eeuw steeg het aantal polders met bemaling door middel van een molen.

Hoogheemraadschap Rijnland

Het toezicht op de polders was in handen van Dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland. Het hoogheemraadschap dankte zijn ontstaan indirect aan een geschil. In de 12e eeuw raakte de monding van de Rijn bij Katwijk verstopt waardoor vooral de afvoer van het water uit het veengebied tussen Utrecht en Leiden stagneerde. Het gebied rond Leiden kreeg hierdoor wateroverlast. Om dit probleem op te lossen werd in de Rijn bij Swadenburg een dam gelegd waardoor het probleem van wateroverlast naar de inwoners van het Utrechtse gebied werd verplaatst. Die beklaagden zich bij de Duitse keizer en in 1165 gelastte keizer Frederik Barbarosse dan ook de dam weer te verwijderen. Het Hollandse afwateringsprobleem bleef bestaan, maar door het graven van watergangen, waaronder de Zijl en de Does, waardoor het water naar het noorden kon stromen. Hierbij werkten vijftien ambachten samen. Daarnaast werd de Spaardammerdijk aangelegd en zo kwamen oplossingen tot stand.

Elk ambacht had de zorg voor de lokale waterstaatszaken maar voor de bovenlokale belangen werkten zij samen. Dit samenwerkingsverband kan worden gezien als het begin van het hoogheemraadschap van Rijnland. In 1255 worden voor het eerst heemraden genoemd in een privilege van graaf Willem II van Holland. Hun bevoegdheden worden genoemd in een privilege van graaf Floris V uit 1286.

Bij het bekijken van een kaart van Hazerswoude, Koudekerk en Benthuizen blijkt dat deze voormalige ambachten een typerend voorbeeld zijn van de poldervorming, die plaatsvond vanaf de 16e eeuw in dit gebied. Hier liggen de polders vrijwel aaneengesloten. De gemeente met de meeste polders is Hazerswoude. Op de in 1867 uitgegeven kaart van Kuyper zijn ze ingetekend. Aan de noordkant, langs de Rijn, liggen de Groenendijksche Polder, Gemeenewegsche Polder, Rijnenburgsche Polder, Oostbuurtsche Polder en Hoornsche Polder. Ook de kleine Smakkerspolder, die tot 1744 zelfstandig was, wordt nog op de kaart vermeld. Samen met de Geersche Polder en met de Rietveldsche Polder, die grenst aan de gemeente Alphen dateren ze in de meeste gevallen uit de 16e eeuw. Zij danken hun ontstaan aan de bodemdaling van het gebied waardoor het aanleggen van een polderkade en de bouw van een molen noodzakelijk was. Het peil van deze polders ligt weliswaar lager dan het peil van de Rijn, maar het verschil is met één molen te overbruggen.

Droogmakerijen

Anders was dat voor de polders aan de zuidkant van Hazerswoude. De benaming West en Oostzijdsche Droogmakerij in plaats van Polder geeft al aan dat deze polders ontstaan zijn door droogmaking van een waterplas. Door de turfwinning in dit gebied waren in de 17e en 18e eeuw waterplassen ontstaan die zich uiteindelijk aaneengesloten hadden tot de Noordplas. In 1759 werd het octrooi tot bedijking van de Noordplas afgegeven, waarna uiteindelijk droogmaking van de Noordplas plaatsvond. Het gebied van de drooggemaakte Noordplas strekt zich uit over meerdere ambachten en over meerdere polders. Ook de polders onder Benthuizen, de Benthuizer Noordpolder, de Benthuizer Zuidpolder met de Benthornerpolder, maken deel uit van het gebied van de drooggemaakte Noordplas. De zuidelijk polders van Hazerswoude en de polders van Benthuizen liggen als gevolg van hun ontstaansgeschiedenis aanmerkelijk dieper. Voor het droogmalen en voor het drooghouden van de polders waren dan ook verschillende molens nodig die trapsgewijze het water omhoog maalden.

Het grondgebied van Koudekerk aan den Rijn geeft weer een ander beeld van de geschiedenis van de poldervorming in Rijnland. De Hondsdijksche Polder, de Lagewaardsche Polder en de veel kleinere Bruimadesche Polder danken hun ontstaan aan de bodemdaling. Ze liggen relatief hoog. Aan het begin van de 20e eeuw meldt Teixeira de Mattos in zijn beschrijving van de polders van Rijnland zelfs dat twee percelen in de Lagewaardsche Polder zo hoog lagen dat ze geacht werden niet tot de polder te behoren. De Hooge Waard onder Koudekerk is geen polder. Het maakt deel uit van het boezemgebied van Rijnland en is daarmee uit waterstaatkundig gebied een bijzonder gebied.

 

De hoge en de lage zijde

Het is voor de autochtone bewoners van de dorpen aan de Rijn een begrip, maar nieuwkomers hebben er moeite mee; de hoge zijde en de lage zijde. De hoge zijde is de zuidkant van de rivier, oftewel de linker rivieroever. De lage zijde de noordkant, dus de rechter rivieroever. Het verschil is ontstaan doordat de aan de zuidzijde van de rivier meer afzetting heeft plaatsgevonden.  Daar, op de oevervallen, ontstond dan ook de eerste bewoning en aan die kant werden de Romeinse castella gebouwd; hoger, dus droger en beter beveiligd als de rivier buiten de oevers trad.

 

(Zie afbeelding 7.4.)

Maten van Rijnland

Ons huidige metrieke stelsel dateert uit de Franse Tijd. In vroeger eeuwen had elke regio eigen maten en gewichten. Voor de dorpen en de polders in onze regio golden de Rijnlandse maten. De lengtemaat werd uitgedrukt in de Rijnlandse roede die 3,767 meter lang was. De roede was verdeeld in twaalf voeten van 31,4 cm. Voor de oppervlaktemaat gold de Morgen met een oppervlakte van iets meer dan 0,85 hectare. Een Morgen was verdeeld in zes hont en elke hont telde 100 vierkante roeden van elk 14,19 vierkante meter.